Razendsnel de bodem in

Zoon met dubbele tafelmesheften. Foto Koos Dijksterhuis

De getijdestrook op het strand is vaak zo stevig aangeplempt dat je er op kunt fietsen. Met wind in de rug fietst het er zelfs fijner dan waar ook. Langs de laagwaterlijn ligt de nieuwe partij aanspoelsel. Van de fiets af zien we veel dode kwallen, krabben en Amerikaanse zwaardscheden. Die laatste zijn hier gekomen in het koelwater van schepen. Ze hebben het zich gemakkelijk gemaakt. Miljoenen lege schelpen liggen er, je kunt er je voeten en fietsband aan openhalen, heb ik ondervonden. Ze beconcurreren de kleine zwaardschede, het kleine mesheft en het grote tafelmesheft. Die drie waren algemeen, maar zijn nu zeldzaam.

We zetten de fietsen neer. Dochter van 14 gaat in de luwte van een duintje zonnen. Zoon van 10 en ik zoeken schelpen. Zoon vindt warempel zes tafelmesheften. Die zijn rechthoekig, zo’n 25 centimeter lang en drie breed. Hij vindt zelfs twee dubbele, doubletten in malacologenjargon. Beide kleppen zitten nog aan elkaar. Dat betekent dat ze in de buurt geleefd hebben, want anders zou de sluiting gebroken zijn.

Tafelmesheften leven tot waar de zee zo’n vijftig meter diep is. Ze graven zich verticaal in de zeebodem. Het moet wel zandige zeebodem zijn, geen slik. Dat graven doen ze door hun weke, puntige lijf zo ver mogelijk uit de schelp de bodem in te wurmen. Dan verbreden ze hun voet tot een soort anker en sjorren ze hun schelp omlaag. Als ze de schelp omlaag trekken, sluit die zich zover mogelijk, waarbij water en zand naar boven worden gestuwd. Dat gaat verrassend snel. Een liggend tafelmesheft is in een mum van tijd onder het zand verdwenen.