Rauwe boon

Bonenbloem. Foto koos Dijksterhuis

Vroeger verstopte mijn moeder op Driekoningen een rauwe boon in de pudding. Wie hem kreeg was koning en hoefde niet af te wassen. Meestal kreeg ze de boon zelf, terwijl ze toch al de baas was. Ze ontkende altijd in alle talen dat er voorkennis in het spel was en dat zal ze na lezing van dit stukje zeker weer doen.

Toen ik vorig jaar een rauwe boon in de pudding verstopte, de pudding flink roerde en (on)willekeurig over de bakjes verdeelde, kreeg ik waarachtig zelf de boon. Ik herinnerde me hoe onrechtvaardig ik het vroeger vond als mijn moeder die boon kreeg en vond het sneu voor de kinderen die zich erop verheugden. Zou ik gauw en ongemerkt een andere boon in één hunner bakjes stoppen? Nee, verliezen hoort erbij. En trouwens, in welk hunner bakjes zou ik de boon moeten stoppen? Het zou een voortrekkerij zijn van wat heb ik jou daar.

Ik was dus koning en voelde me de prins te rijk. Mijn onderdanen moesten een verdroogd stengeltje van wijlen een kamerplantje uit een bloempot halen, de aarde water geven en de boon, mijn boon, in de grond duwen. Als ze het potje zouden vochtig houden, hoefden ze niet af te wassen. Zulks geschiedde en tot ieders verrassing ontkiemde de boon en groeide hij sneller dan kool. Er kwamen zelfs bloempjes aan. Daar zouden nieuwe bonen komen, zei ik.

Maar er kwam een week vakantie. De boon tierde welig voor het raam, in de zon. In de brandende voorjaarszon, dagenlang. De bonenplant verdorde en zo zijn we terug bij af: een bloempot met verdroogd stengeltje van wijlen een plantje.