Prins fazant

Fazant, foto Koos Dijksterhuis

Mij is carnaval niet met de paplepel ingegoten. En carnaval valt of staat met de paplepel. Wie het ingegoten kreeg, zou er z’n baan voor opzeggen. Wie niet, die vindt het dom gedoe. Ik niet. Ik heb niets tegen, niets met carnaval. Feesten is een goede gewoonte en een verkleedpartij is nog beter. Toch heb ik nooit carnaval gevierd, hoewel ik tijdens drie carnavals in Eendegat en Oeteldonk woonde.

Laatst wandelde ik met iemand. Toen een fazantenhaan ons pad kruiste, zei ze: prins Carnaval. Ik knikte. Dat is geen toeval. Prins Carnaval draagt fazantenveren op zijn hoed. De Braziliaanse carnavalsprinsessen in Rio dragen stralenkransen van pauwen- en fazantenveren. Goudfazanten, zilverfazanten, lady Amherstfazanten; geen hanenstaart is de vrouwen te dol.

Gek, dat buiten prins Carnaval vooral vrouwen zich versieren met de hanige hoenderdossen. Fazantenhanen zijn in februari opzichtig gekleurd en op razendsnelle vrijersvoeten. Om een hen te bereiken of een haan te verjagen, rent een fazantenhaan honderden meters over weiden en akkers en door bossen. Als er niet gerend wordt, wordt er geroepen. Als u in de natuur iemand hoort, die rochelend en kokhalzend gewurgd lijkt te worden, is dat een fazantenhaan.

De hanige vrijlust kost energie en een fazantenhaan is tussendoor als een scharrelkip zo druk met beestjes, bessen en zaden pikken. Fazanten zijn exoten, ze werden gefokt om op te schieten. Op Schiermonnikoog handhaven ze zich zonder fok uitstekend. Twee hanen rennen achter elkaar aan om het huisje. Als ik een oud, slof geworden beschuit in de tuin gooi, ramt de winnaar zelfverzekerd zijn snavel in de roos. Verbijsterd komt hij overeind, met het beschuit als een schijf om zijn snavel geklemd. Carnavalsprins.