Plooirokjes op het speelveld

Plooirokje, Foto Koos Dijksterhuis

We voetballen op het speelveld, zoon en ik. Dankzij hem heb ik soms spierpijn in mijn kuiten en heupen, krijg ik groene vegen op mijn broek en kale neuzen aan mijn schoenen. Hij zegt dat ik zo hard mogelijk moet knallen. Zijn handen zijn na een half uur geblesseerd. Toch bestaat voetballen voor een groot deel uit de bal ophalen of wachten tot de ander de bal heeft gehaald. Zoon neigt soms de bal in een bosje te schieten. Daar zoemen wespen. Ze komen uit diverse richtingen aanvliegen, in een tamelijk rechte lijn. Een nest dus. Ja, vlakbij de bal, onder een graspol op een oude stronk. Tjonge wat een af- en aangevlieg. Voorzichtig pak ik de bal.

In het gras staan paddestoeltjes. Kleine paddestoeltjes, op tere pootjes. Van dichtbij  zien ze er prachtig uit. De hoedjes zijn geplooid. Ik haal gauw de camera, want straks valt er nog een bal op. Het zijn plooirokjes, algemene zwammetjes van grasland, liefst een beetje vochtig grasland. Ook in bermen groeien ze wel, en in gazonnen; ze zijn niet zeldzaam. Ook algemene, kleine, grijsbruine paddestoeltjes kunnen heel mooi zijn. Waar er één staat, staat vaak een groepje.

Op het speelveldje staan er maar drie. Ze zijn vijf, zes centimeter hoog. Hun hoeden zijn een centimeter of twee in doorsnee. Eén is wat groter, de ander wat kleiner. Het midden van de hoed is bruiner, de rand is juist grauwer. De steeltjes zijn gebroken wit van kleur. Ze staan fier overeind, maar zien er breekbaar uit.

Als ik de camera heb weggebracht, zijn ze geknakte. De gebroken brekebeentjes liggen er treurig bij.

‘Komt ie!’ roept zoon. Ik spring overeind.