Plonzen in de Oder

Kamperen aan de Oder, Foto Koos Dijksterhuis

We zakken af langs de Poolse oever van de Oder, de grensrivier met Duitsland. Die rivier heeft een brede bedding met allerlei zijarmen en zandbanken, moerassen en rivierduinen. Het is bovendien een niemandsland tussen twee landen en niemandslanden zijn vaak natuurparadijzen.

Een uur bezuiden Stettin zetten we de tent op aan de rand van een lariksbos. Een strook gras scheidt ons van een zijarm van de Oder, die doodloopt in een rietveld. In het gras bloeien grijskruid (wit) en steenanjer (donkerroze), bieslook en polei, beiden paars. Polei is een soort munt. Het water is diep en helder. Het is heet en bij een ministrandje gaan we erin. Er zijn veel zwanenmossels, posthoorn-, poel- en grote waterslakken. Levend. Maar ook dode mosselkleppen liggen op de oever, evenals een afgekloven vis. Het werk van otters.

Blauw glidkruid bloeit aan de oever en een zee van andere bloemen. Terwijl we zwemmen, opdrogen en voor de tent zitten, kijken we naar passerende kiekendieven, zeearenden en visarenden.

We roosteren spek op het vuur. Als we gaan slapen, staan de borden naast de tent, een pannetje erop. Direct horen we geritsel naderen. Er schuift wat langs de tent en ‘klong, kling’, klinkt de pan. Als ik plots met de zaklamp schijn, is er niets te zien. Even later horen we iets wegrennen. Midden in de nacht schrikken we wakker van  plonzen in het water.

’s Morgens liggen de borden verspreid door het bos. Een ree staat erbij. We vinden verse ottersporen op het strandje. Zou een otter…? Nee, verderop schrijdt de snoeper over het pad. Een wilde kat: groot, grijsgroen gestreept, met dikke staart en woeste bakkebaarden.