Pimpelen

Pimpelmezen. Foto Jeanette Essink
Pimpelmezen. Foto Jeanette Essink

Steeds als vader of moeder pimpelmees de nestkast entert, barst er gepiep los. De jongen schreeuwen om het hardst. Er wordt een rupsje aangevoerd. Er worden duizenden rupsjes aangevoerd in de twee à drie weken voor de meesjes uitvliegen en door een kat gegrepen worden. Hoelang het dan nog duurt voor ze zelf de kost verdienen, weet ik niet.

Sommige mezen ontspringen de kattendans. Ze kunnen roerloos op een takje zitten, een kat loopt langs zonder iets te zien. Mijn zoon kwam me met een vriendje halen. Ze hadden een zielige vogel gevonden. Het was een jonge pimpelmees, onder een struik. Hij bleef zitten waar hij zat, hij zou wel gewond zijn, meenden ze. Laat maar lekker zitten, zei ik, en blijf uit z’n buurt, anders durven z’n ouders niet bij hem te komen. Misschien wordt ie nog gevoerd.

Pimpelmezen hebben een geel buikje en een blauwe kruin. Althans, zo zien zij we. Een roofvogel zou ze wel eens heel anders kunnen zien. Een bij weer heel anders. Het hangt er maar van af hoe de waarnemer is voorzien van lichtreceptoren. Wij zien licht met een golflengte tussen de 380 en 780 nanometer. Dat van 780 zien wij als rood, dat van 380 als paars, oftewel violet. Licht met een iets langere golflengte is utraviolet. Dat zien wij niet maar is er wel. Het zit in zonlicht en bruint of verbrandt de huid. Pimpelmezen zien het zeker zo goed als andere kleuren. Hoe het er precies uitziet, weet ik niet, maar de pimpelvrouwen vinden het prachtig. Want hoe meer ultraviolet de kruin is van een pimpelmezenman, des te populairder is hij bij de vrouwen.

(Natuurdagboek Trouw 14 juni 2013)