Pad in de put

Pad uit de put. Foto Koos Dijksterhuis

In de berm van de landweg waar geliefde en ik lopen is een buis verticaal ingegraven. Het is een buis met de doorsnee van een flinke emmer en de diepte is zo’n twee emmers. Onderin loopt een rubberen leiding. De cilinder is kennelijk bedoeld om bij die leiding te kunnen voor controle of onderhoud.

Als ik op de grond ga liggen, kan ik met mijn gestrekte arm net tot de bodem reiken. Waarom zou ik dat doen?

Onder in de buis zit een enorme pad. Zo’n tot de rand ingegraven cilinder is een dodelijke valkuil voor kleine dieren. Hoewel de berm ritselt en tjirpt van de krekels en sprinkhanen, zitten die niet in de val. Maar misschien heeft de pad ze wel opgegeten. Hij is er groot genoeg voor. Hij ziet er volstrekt niet aaibaar uit. Toch vinden we dat we het dier moeten redden. Met enige weerzin probeer ik hem te pakken. Als reactie maakt hij zich helemaal plat en wurmt hij zich klem ónder de buis.

Tom Poes, verzin een list! Ik kijk rond. In bermen is altijd afval te vinden en naast het gat ligt een stuk karton. Als ik hem kan verleiden daarop plaats te nemen, til ik hem er zo uit. Ik scheur het op maat en leg het plat op de grond voor hem. Ik geef hem een zetje, maar de pad zet zich schrap en laat zich niet verleiden. Misschien kan mijn geliefde hem zoenen en plopt er een prins tevoorschijn, maar het risico bestaat dat ik me dan overbodig ga voelen. Bovendien is met je hand de diepte in reiken gemakkelijker dan met je hoofd.

Met een stok duw ik hem onder de buis vandaan. Hij schuifelt knorrig op het karton en maakt zich groot en dik. Hij ziet er angstaanjagend uit. Ik lift hem als een beschuit uit de bus verticaal omhoog en laat de opgeblazen knorrepot vrij in de bosjes. Daar kruipt hij onder weg.

(Natuurdagboek Trouw dinsdag 17 juli ’18)