Otterschelp

Otterschelp doublet Texel 14.3.12, foto Koos Dijksterhuis

Otterschelpen zijn groot, ovaal en plat. Groot wil zeggen zo’n tien bij vijf centimeter. Ze lijken een beetje op de zeer algemene strandgapers, maar zijn platter, dunner en veel breekbaarder. Op Schiermonnikoog vond ik als kind meestal blauwe kleppen. Dat blauwe kregen ze toen ze als losse klep in ijzerhoudende grond zaten, duizenden jaren lang. Een enkele keer spoelde er een verse klep aan: gebroken wit, met een afbladderend, beige vlies op het kalk. Meestal was het gebroken wit gebroken, want zo’n grote, tere schelp houd je niet lang heel. Dat viel mij althans niet mee, als ik een schelp meenam.

Vijf jaar geleden meldde Henk van Halm nog dat otterschelpen tamelijk zeldzaam waren. Nu zijn otterschelpen veel algemener. Ook op de Zeeuwse en Hollandse stranden spoelen ze aan, verse exemplaren, soms zelfs nog met beide kleppen aan elkaar vast. Dat betekent dat ze vrij dichtbij leven, wat nieuw is. Waarom otterschelpen onze kustwateren hebben gekoloniseerd weet ik niet. Zou de Noordzeebodem modderiger zijn geworden? Otterschelpen graven zich wel veertig centimeter diep in slikkige bodem. Niet voor niets heet de schelp ook ovale slijkschelp.

Hoewel zeeotters en visotters vast wel zouden smullen van een otterschelp, en de schelp gemakkelijk te kraken is, heeft de naam niets met otters te maken. Volgens de overlevering is de naam het gevolg van een verschrijving. Linnaeus beschreef de soort als eerste en hij wilde hem Lutaria noemen. Hij schreef per ongeluk Lutraria en dat betekent otter. Of het waar is? Een mooi verhaal is het wel.