Oosterse akkernatuur

Grauwe klauwier, © Harvey Van Diek

Op het platteland van Oost-Duitsland is het sinds de Wende nog niet gelukt met Europese subsidie alle akkers net als in het westen te steriliseren van korenbloemen, klaprozen, margrieten, houtwallen, bosjes en verruigde hoekjes. De vooruitgang kost tijd.

Het Oost-Duitse platteland heeft nog prachtige velden en akkers met meidoorns en kruidige randen. Daar leven knaagdieren, grote insecten en zangvogels. En dat zijn weer prooien voor roofdieren. Vlak over de vroegere grens zien we al zwarte en rode wouwen cirkelen en drie keer een grauwe kiekendief jagen.

Grauwe kiekendieven zijn de rankste roofvogels ter wereld: ze wegen een paar ons, maar met hun lange staart en vleugels zijn ze behoorlijk groot.

Ik heb meerdere akkerbouwers horen zeggen dat ze van die vogels genieten, terwijl ze op het land werken.

We wandelen door een enorme weide. Het zandpad is omzoomd met bloemen als vlasbekje, zandblauwtje, hazepootje en knoopkruid. Het zoemt en tjirpt van de bijen, zweefvliegen, kevers, krekels en sprinkhanen. Vlinders dwarrelen met ons mee. Veldleeuweriken vliegen her en der op. Bij een dobbe, een drinkplasje voor vee, staan een paar wilgjes in de rietkraag. Op vijf wilgjes zit een grauwe klauwier: een gemaskerde zangvogel met stevige snavel, die muizen, hagedissen en insecten eet. Echt een vogel van ouderwets boerenland.

Alweer een grauwe kiekendief zweeft voorbij. In de verte zit een enorme roofvogel op een prooi: een visarend.

En door een stoppelveld stappen twee kraanvogels, één van de mooiste vogels van Europa, en gek op oogstresten van maïs, graan en bieten.

Wat een feest, zo’n veld. In Nederland proberen we met veel moeite ook onze verdwenen akkernatuur te herstellen. Het is maar wat je vooruitgang noemt.