Ooievaarsland

Parende ooievaars. Foto Koos Dijksterhuis
Parende ooievaars. Foto Koos Dijksterhuis

De Sweachsterwei van Beetsterzwaag naar Lippenhuizen is geflankeerd door knoestige bomen. Uit heel wat van die bomen is de top gezaagd. Op elke afgezaagde boom bevindt zich een ooievaarsnest met ooievaars. De eerste ooievaars op een nest werden in januari al gemeld. Als je toch niet meer wegtrekt, kun je net zo goed alvast gaan nestelen. Wie het eerst komt…

Er broeden 1300 tot 1500 paren ooievaars in Nederland, lees ik op de site van Stork (STichting Ooievaars Research & Knowhow). Dat zijn zeg 2800 ooievaars, nog afgezien van vrijgezellen. In de winter worden er zowat duizend geteld. Ooievaars nestelen op plateaus, en ook met een horizontaal bevestigd wagenwiel zijn ze in hun sas. Sinds de uitvinding van het wiel zijn er in Nederland nog nooit zoveel ooievaars geweest.

Toen ze in Nederland bijna verdwenen, zijn ze in ooievaarsstations teruggefokt. Daarvandaan hebben ze het land geherkoloniseerd. Er zijn nog diverse stations waar ze bijgevoerd worden, en in bijvoorbeeld Flevoland weten de plaatselijke ooievaars, een stuk of tien paren, het wildpark te vinden als de dieren daar gevoerd worden. Ik zie ze het meest in de buurt van ooievaarsstations, maar ook veel daarbuiten. Die weten zichzelf toch maar te redden.

Soms hoor ik mensen zeggen dat er teveel zijn. Het zou kunnen; ik weet niet wat het juiste aantal is. Ik vind 2800 ooievaars op 17,5 miljoen mensen niet problematisch klinken. Ruim 6000 mensen per ooievaar. Maar over de weinige dieren die het goed doen: ganzen, bevers, wolven, hoor je altijd dat er te veel van zijn. Alleen over zeehonden hoor je dat nooit.

Ik herinner me dat een boswachter van It Fryske Gea me een jaar of twintig geleden het volgens hem eerste geheel wilde, spontane broedgeval aanwees. Twee ooievaars zonder pootringen hadden helemaal zelf een nest gebouwd, boven in een boom langs de weg van Beetsterzwaag naar Lippenhuizen. Nu zijn er tientallen.

(Natuurdagboek Trouw woensdag 2 maart ’22)