Oesters

Oesters. Foto Koos Dijksterhuis
Oesters. Foto Koos Dijksterhuis

Westenwinden zwepen Schiermonnikoog op in oostelijke richting. Zand dat van het Westerstrand wegwaait, blijft aan de oostkant in de luwte van het eiland liggen. Voorbij paal 16, ooit de oostpunt, strekt de zandige Balg zich tot de horizon uit. Je moet nog vijf kilometer verder voor je de punt bereikt. En weer terug. Meestal loop ik heen langs zee en terug over de strandvlakte, zigzaggend, schelpen zoekend. Op de Balg liggen grote schelpen begraven uit vervlogen jaren. Bij oostenwind wordt het zand weer teruggeblazen naar het westen en komen die grote, oude schelpen bloot te liggen. Dan kun je noordkrompen vinden, noordhorens, wulken en oesters.

Oesters zijn zo’n honderd jaar geleden in de Nederlandse wateren verdwenen door overbevissing. Oesters zijn namelijk een delicatesse. Dat geldt ook voor Japanse oesters, die als plaatsvervanger door vissers zijn ingevoerd en nu de hele Waddenzee begroeien. Maar die vormen zulke sterke riffen, dat vissers ze niet goed kunnen oogsten. Visnetten scheuren er zich aan kapot, dus de Japanners worden alweer verguisd door hun importeurs.

Gewone oesters zijn veel zeldzamer. Bruin of donkerblauw verkleurd zijn ze door de roest in de bodem, waar ze soms al tienduizend jaar liggen. En veel ronder zijn ze dan hun rossige Japanse neven. Oesters op de Balg kunnen zo groot zijn als theeschotels en centimeters dik, maar hun schaal is vaak bros en bladdert dan af. Soms vind je een nog stevige, gave kokkerd en met veel geluk twee of meer oesters die met elkaar vergroeid zijn. Een stukje oesterrif. Op de foto staan drie ferme, oude oesterschelpen, waarvan twee ruggelings aan elkaar vastzitten. Inmiddels liggen ze in mijn vensterbank.

(Natuurdagboek Trouw 10 sept. 2013)