Nijlgans op sneeuw

Nijlgans op sneeuw, foto Koos Dijksterhuis

Tussen de wilde eenden en tamme ganzen die in mijn woonbuurt een klein wak open houden, bevindt zich een Nijlgans. In mijn kindertijd waren Nijlganzen zeldzaam. In Engeland waren de uit Afrika afkomstige vogels ooit uit parken of dierentuinen ontsnapt en verwilderd. Dat begon in Nederland ook. Nu bevolken Nijlganzen onze weilanden en natuurgebieden met duizenden. Overal zijn ze. Ze broeden wel in grote nestkasten, en pikken zelfs wel eens een havikshorst in, hoog in een boom. Ik heb Nijlganzen een hoog wagenwiel op één poot zien bezetten. Dat wiel was neergezet voor ooievaars, maar er zijn meer éénpotige wagenwielen dan ooievaars, dus de hoeveelheid ooievaars zal niet krimpen vanwege Nijlganzen. Ik geloof niet dat andere vogelsoorten qua aantal lijden onder de Nijlgans.

Nijlganzen zijn grijsbruin met een oranjeroze rug. In de vlucht blijken hun vleugels spierwit te zijn, met donkere uiteinden. Het doet ze aan ooievaars denken, zeker als je ze door je ooghoek van een ooievaarshorst ziet zeilen.

De Nijlgans bij het wak zit, of beter: ligt op de platgetrapte sneeuw. Nijlganzen zijn minder vorstbestendig dan inheemse soepganzen. Soepganzen zijn de (deels) witte ganzen in (kinder)boerderijen. Het zijn afstammelingen van grauwe ganzen. Hier in de buurt stond ooit een boerderij. Die is gesloopt, maar de boerenganzen bleven achter, gingen heen en vermenigvuldigden zich. Er zijn nu diverse groepen, waarvan één in mijn buurt.

Die Nijlgans ademt nog en knippert met de ogen, maar is te kleums om voor wandelaars opzij te gaan. Het leeft hier van de honden en het sterft hier van de katten. Hun pootafdrukjes staan massaal in de sneeuw. Ik vond een andere Nijlgans; stijf bevroren, met opengereten, bloederige staart.