Nestkastbureaucratie

In deze kast broedden eerst pimpelmezen (keurig mos) en vervolgens ringmussen (rommelig gras), Foto Koos Dijksterhuis

Ieder jaar kunnen we in tijdschriften lezen over nestkastjes. Soms staat erbij dat we ze in november hadden moeten ophangen. Zodat vogels alvast de broedplaatsen konden verkennen en erin konden slapen. Voor november zijn we in maart te laat. Ook staat erbij dat de vliegopening op het noordoosten moet zitten. Dan kunnen de vogeltjes zich warmen aan de morgenzon en worden ze niet gaargestoofd door de middagzon.

Verder staat erbij dat iedere soort z’n eigen kast behoeft. Je kunt geen vogelsoort bedenken, of er is een specifieke nestkast voor. Zelfs voor winterkoningen en roodborstjes bestaan kastjes: ruitvormig. Ze zien er schattig uit, ik weet er al jaren verschillende te hangen, er is nog nooit in gebroed.

En als de kasten van kool- en pimpelmees op elkaar lijken, dan blijkt de doorsnede van het vlieggat cruciaal. Tot op de millimeter wordt voorgeschreven wat welke soort eist. Koolmees 32 millimeter, pimpel 28. Alsof ze het in de natuur bij boomholten zo exact voor het kiezen hebben.

Mussen worden geacht op elkaars lip te broeden. Mezen juist niet. Er moet minstens tien meter tussen twee mezenkasten zitten. Ik ken geen onderzoek waaruit zulks blijkt. Wel heb ik jaar na jaar nestkasten opgehangen en jaar na jaar broedden er mussen in mezenkasten en mezen in mussenkasten. Kool- en pimpelmezen broedden nu eens in deze, dan weer in die kast, het formaat van de vliegopening maakte niets uit. En koolmezen broedden onbekommerd op drie meter van hun buren.

In het Bolswarder Nieuwsblad (14 maart) staat de dertienjarige Bennie de Jong die voor alle 28 palen van de tuinschutting een nestkast timmerde. Een hele rij. En nu maar afwachten…