Nestelen

Koolmees met hondenhaar, Foto Jeanette Essink

Een merel zingt op zijn vaste stek in de kersenboom. Hij zingt typisch merelig, op drie fluittonen na: ‘tjuu, tjuu, tjuu.’ Ze lijken op de zang van een goudvink. Ik hoor andere merels nooit ‘tjuu, tjuu, tjuu’ zingen. Ik heb nog nooit gehoord van merels die goudvinken nadoen. Ik heb hier jaren geleden goudvinken gezien, maar sindsdien niet meer.

De merel zingt al minder vaak, hij heeft het druk met een nest. Zijn vrouw vliegt heen en weer: heen met lege, weer met volle snavel. Grassprieten, twijgjes, een verdord platanenblad van afgelopen herfst.

De kauwen vervoeren grote plukken mos naar hun nest in aanbouw in de dakgoot. Ze voeren ook flarden steenwol aan, ergens wordt zeker een huis verbouwd. Ze laten plukjes vallen, die de huismussen afvoeren. Die mussen hippen rond met sprietjes en donsveren. Ik zag een alerte huismus op gemorste graankorrels. Hij pikte geen graantje mee, het ging hem om de houtduif. Toen die even zijn vleugels strekte, schoot mus toe en gapte een zacht duivenokselveertje. Zakkenroller!

Jeanette Essink borstelt haar harige hond regelmatig. Het hondenhaar hangt ze op in de tuin. De mezen staan ervoor in de rij! Je moet als pasgeboren kuiken niet verstrikt raken in een haar. Maar daar beschermt een voering van mos tegen.

De kapster vertelt over een klant, van wie ze het geknipte haar niet mag weggooien. ‘Die gooit het in de tuin voor de vogels.’

Hé, daar zingt een merel. Niet mijn stamgast in de kers. Deze zingt geen ‘tjuu, tjuu, tjuu’. Wel voegt hij binnensmondse klanken toe. Typisch spreeuw. Ik kijk en ja hoor, in de kers zingt een spreeuw een merellied.