Natuurlijk boeren

Klaprozen a. Foto Koos Dijksterhuis ndb di
Klaprozen Foto Koos Dijksterhuis

Als u denkt dat boeren wel milieuverwoestend en tegennatuurlijk móeten boeren, omdat ze anders te weinig verdienen, zou u de Amerikaanse film My biggest little farm eens moeten zien. Daarin vertelt een stel over hun streven naar een gemengd boerenbedrijf dat echt ‘natuurinclusief’ is. Dus geen monocultuur die met kunstmest en vergif aan de gang gehouden wordt, met een gesubsidieerde knotwilg in een onbruikbaar hoekje. Nee, een bedrijf met gewassen en dieren die er van nature ook zouden kunnen gedijen. Een bedrijfsvoering die zich voegt naar de natuur, en die niet de natuur naar zichzelf voegt.

De twee kopen een stuk grond dat door de intensieve landbouw uitgeput en uitgedroogd is. In de buurt zijn veel van die dode, opgegeven landbouwgronden. Soms zijn ze nog bedekt door lagen landbouwplastic, waaronder frambozen werden geteeld. Intensieve landbouw pleegt roofbouw en het kunstmatig bruikbaar houden van een steriele bodem is te duur. Tenzij je er miljarden subsidie insteekt, zoals we in Europa doen.

De twee lezen zich in en krijgen hulp van een ervaren landbouwer, en samen zijn ze bezig met herstel van het ecosysteem, waaruit ze vruchten, groenten, vis, vlees en eieren kunnen oogsten. De ene na de andere tegenslag krijgen ze te verduren, van prairiewolven tot een slakkenplaag, van droogte tot modderstromen. Die tegenslagen blijken van tijdelijke aard, of zijn met hulp van de natuur het hoofd te bieden. Van de met mest, compost en begroeiing herstelde bodem spoelt de vruchtbare bovenlaag bijvoorbeeld niet weg, zoals bij alle buren.

Het is een ontroerende en liefdevolle film, die bewijst dat landbouw heel goed mogelijk is met behulp van de natuur, in plaats van ten koste van de natuur. Een verademing te midden van het verongelijkte geklaag uit een gesubsidieerde sector die met alle geweld onnatuurlijk wil blijven boeren, en waarin natuurboeren uitzonderingen zijn.

(Natuurdagboek Trouw dinsdag 12 november ’19)