Najaar

© Koos Dijksterhuis

Eind december vind ik het altijd prettig dat de dagen weer gaan lengen. Grappig woord: lengen. Dagen lengen, tranen plengen is vast een oude wijsheid. Sinds 21 juni lengen de nachten weer. En prompt zie ik de eerste kokmeeuwen vergrijzen of al bijna in winterkleed. De eerste noordelijke steltlopers arriveren na een snel of mislukt broedseizoen. Geleidelijk aan zwijgen de zangvogels, ze hebben hun snavel vol aan het voeren van de kuikens. Grutto’s wier kroost is uitgevlogen of dood gemaaid verlaten de weilanden naar plassen en moerassen, waar ze zich verzamelen voor de trek naar het zuiden.

Het frisse lentegroen is ongemerkt verduisterd tot donker zomergroen. Sommige eiken vertonen zelfs al herfstkleuren. Zou dankzij de vroege, zonnige lente nu de zomer versneld worden afgedraaid? Of zijn die herfstkleuren een herinnering aan de droge lente? Loofbomen laten in droge tijden hun blad soms zelfs vallen alsof het herfst is. Daarmee gaan ze uitdroging tegen. Of zijn de verkleurde bladeren aangetast door een van de honderden insectensoorten die van eik leven? Ik kan het niet zien, de bomen zijn te hoog.

Hazelnoten rijpen aan de hazelaars en de kastanjes zijn al zo groot als pingpongballetjes! Een oogwenk geleden zag ik de eerste kastanjes uitbotten, en nu vallen ze al bijna uit de boom! Iedere lente zorgt de rappe ontwikkeling van kastanje een paar keer voor de schokkende ontdekking dat de lente nu alweer voorbij is. Eerst vouwen de grote kastanjebladeren zo soepel uit hun kleverige knoppen. Dan bloeien er kaarsen: roze of wit. Maar ineens zie je de kleine kastanjes over straat rollen. En nu al zo groot… De lente is alweer voorbij.