Nachtvlinder in de schuur

Wachtervlinder. Foto Jeanette Essink
Wachtervlinder. Foto Jeanette Essink

De vlinder zit in de schuur, hij schrok van een hark die vlakbij zijn wachtpost werd neergezet. Het is een grote, langwerpige nachtvlinder. Lange antennes, een oranjebruin lijf met op elke vleugel een witte vlek. Eén witte vlek? Nee, wie goed kijkt ziet aan weerszijden van iedere vleugelvlek nog twee stipjes. Echt wit zijn de vlekken trouwens niet, eerder roomwit of gebroken wit. Eronder slingert een dunne, donkere lijn dwars over elke vleugel.

Er staan veel loofbomen in de buurt, precies wat wachtervlinders willen. Vooral fruitbomen zijn in trek. Dat vinden eigenaren van fruitbomen minder leuk. Want wachterrupsen eten het blad op. Nou eten ze ook andere rupsen op, die hetzelfde blad eten. Ze eten zelfs soortgenoten op. Zo compenseren wachterrupsen de schade die ze aanrichten. Overigens zijn het, net als de vlinders die ze worden, nachtrupsen. Overdag plakken ze met spinsel een blad dicht, waarin ze zich verstoppen. In mijn tuin staan een kersenboom en een appelboom, waar ze welkom zijn. En er klimt klimop op de schuur. Wachtervlinders lurken graag even aan de herfstbloemen en bessen van klimop.

Maar nu probeert de wachtervlinder in de schuur de nachtvorst te ontlopen. Hij scharrelt een donker hoekje in en neemt plaats om roerloos te blijven zitten. Wachtervlinders zijn wintervlinders. Ze vliegen vooral aan het begin en aan het eind van de winter. November en maart. Dan vliegen ze ’s nachts, maar hoewel ze de duisternis verkiezen, komen ze steevast op lamplicht af.

Met twee vliegpieken lijkt het of er twee vlindergeneraties passeren, maar dat is niet zo. Wachtervlinders leven de hele winter, maar houden zich in de koudste maanden gedeisd.

(Natuurdagboek Trouw 27 nov. 2013)