Mussen

Huismussen. Foto Koos Dijksterhuis
Huismussen. Foto Koos Dijksterhuis

Vorige zomer kwamen er in mijn tuin regelmatig twee huismussen op de zaden en kruimels af. Mannetje en vrouwtje. Het mannetje heeft een bruine kop met grijze kruin en een donkerbruine bef. Verder heeft hij grijsbruine tinten, evenals het vrouwtje. Huismussen moeten het qua aantrekkelijkheid niet hebben van hun kleuren, maar van hun gezellige getjilp, hun plotselinge wegsnorren, hun krioelende gehip. Daarvoor zijn veel mussen nodig. Mussen horen met hun allen straten en pleinen af te schuimen, heggen en klimplanten te bevolken, continu kwetterend en tjilpend.

Toch was ik al blij met twee mussen, want het gaat al jaren niet goed met onze mussen. Er zijn er nog best veel, honderdduizenden schat ik, maar geleidelijk worden het er minder. Soms verschijnen ze wel eens in een nieuwe woonwijk, maar veel zijn het er niet. Waar zouden ze vandaan moeten komen? Er zouden al mussenoverschotten moeten zijn in de buurt. Maar die zijn er niet.

Vijftig jaar geleden wel. Toen zinderden platteland en stad van de mussen. Vooral in de nazomer, als de nieuwe generatie was uitgevlogen, waren er miljoenen mussen. In zwermen zochten ze de graanakkers op voor oogstrestjes. In kleinschalige landbouwgebieden in Zuid- en Oost-Europa kun je dat tegenwoordig nog beleven, maar niet lang meer, want het Europese platteland wordt voortvarend gesteriliseerd. De maai- en dorsmachines worden zo efficiënt, dat er nauwelijks een graankorrel aan ontsnapt.

Ik was extra blij met die twee mussen, omdat ze er een jaar eerder nog niet waren. Het waren nieuwkomers. Afgelopen zomer bleven ze een tijdje weg, maar daarna keerden ze terug. En niet meer getweeën, maar met hun achten. Ik strooi nog meer zaden en kruimels.

(Natuurdagboek Trouw 3 feb. 2014)