Monsterdaas

© K. Dijksterhuis, Paardendaas

Toen dochter vier maanden was, woonden we nog maar kort aan de stadsrand. Ik was bezig haar onder zeil te krijgen. Er klonk een angstaanjagend gezoem op haar kamertje. Een wesp? Nee, er vloog iets zwarts, iets massiefs, iets kwalijks rond. Het was een daas van ongekende afmetingen. Hij leek wel vier centimeter. Hij bleek niet langer dan tweeënhalve centimeter, maar leek groter door de lange vleugels en de idioot brede kop met twee reuzenogen. Ik had nog nooit zo’n grote daas gezien. Ik wist hoe venijnig de beet van een regendaas of goudoogdaas voelt, waarvan je een bult kunt krijgen van centimeters doorsnee. Hoe venijnig zou de beet, hoe immens de bult zijn, die dit monster naliet? Zou een baby dat overleven? Waarschijnlijk wel, want ik heb nooit gehoord dat een baby doodging aan een dazenbeet, zelfs niet van de runderdaas. Ik heb het raam opengezwaaid en het dier een mep verkocht, waarna hij eruit helicopterde. Vrouwtjesrunderdazen zuigen bloed van vee. Ik heb ze iedere zomer een paar keer in huis en ze tonen minder interesse in mij dan ik in hen. Ze zijn niet gek op mensenbloed. Ze leggen pakketjes witte eitjes op stengels van riet of andere planten bij water. Hun dikke maden hebben een gepantserd lijf en kruipen graag in de modder. Ze eten rottende planten en kleine diertjes. Die bijten ze vast en spuiten ze gif in. Er zijn ook paardendazen, al zijn ze zeldzaam. Ze lijken sprekend op runderdazen, hebben dezelfde leefstijl, zijn even groot. Beide dazen zuigen zowel runder- als paardenbloed. De runderdaas heeft alleen een groene glans over de ogen, de paardendaas niet.