Mezenkuikens gewogen en te licht bevonden

Jonge koolmeesjes. Foto Koos Dijksterhuis
Jonge koolmeesjes. Foto Koos Dijksterhuis

Verscholen achter klimop hangt in mijn tuin een nestkastje. Het hangt hoog, maar een kat zou erbij kunnen klimmen. Gelukkig hangt het uit het zicht. De koolmezen vliegen via een onzichtbare route aan en uit. Ineens fladdert er een familie mezen door de tuin. Een consternatie van jewelste.

Ze hebben geluk. Ik liep laatst mee met vogelonderzoeker Rob Bijlsma die onder meer de groei van koolmezenkuikens bijhoudt. Rob zet de meesjes op de opengeklapte deksel van de nestkast. Klein als ze zijn, stumperen ze meteen alle kanten op. Rob weegt ze snel en hop, ze gaan de kast weer in.

Mooi zijn ze niet, die kale stuntels met wat beginnend blauw gevederte en een enorme gele bek. Zodra de deksel van een kast gaat, sperren de meesjes die bek wijd open, zodat je in zes gele kratertjes kijkt. Eten willen ze! Rupsen!

Daar ging het mis. Dit jaar broedden ze vroeger dan anders. De vroeg uitgekomen kuikens stond een paar nachten vorst te wachten. Bovendien waaide er aanhoudend een kille, regenachtige noordenwind. Slecht voor rupsen, die er dus nauwelijks zijn. Rob meet dat door op een laken rupsenpoepjes te verzamelen, die uit de bomen vallen.

Doorgaans bereiken koolmeesjes op hun dertiende dag hun eindgewicht van vijftien tot achttien gram. Daar bleven ze dit jaar één à twee gram onder. Ernstiger nog: ook veel piepjonge meesjes waren meteen al minstens twee gram te licht. Die redden het niet. Complete legsels zijn doodgegaan. Van andere stierven alleen enkele achterblijvers. De diehards vliegen uit.

De jonge mezen in mijn tuin zijn zulke diehards. Ze hebben mazzel. Hoewel, ik zie of hoor ze de volgende dag al niet meer. Overal sluipen katten.

(Natuurdagboek Trouw 23 mei 2014)