Mezen uit Zweden

Witkopstaartmees, Foto Jeanette Essink

Meerdere lezers laten weten dat ze staartmezen zagen. Niemand meldt pimpel- en koolmezen, hoewel die er ook veel zijn. Maar kool- en pimpelmezen zijn gewoon en staartmezen niet. Buiten het broedseizoen trekken staartmezen in groepen door de bomen. Ze schuimen bossen, parken en tuinen af. Insecten, zaadjes; niets is veilig voor ze. Onderweg zijn ze voortdurend aan het kwekken, met hoge piepjes. Je hoort ze meestal eerder dan dat je ze ziet. Eenmaal in zicht zijn ze gemakkelijk te herkennen, ook als ze hoog tegen een lichte lucht overvliegen. Hun staart is langer dan die van andere mezen.

Nu de bomen hun blad verliezen, worden vogels allengs zichtbaarder. Ook de nesten van staartmezen worden zichtbaar. Broeden kool- en pimpelmezen in nestkasten of boomholten, staartmezen vlechten hun eigen hol. Dat is een bal van mos en twijgjes, met een in- en uitvlieggat. Een staartmees kan zijn staart tegen zijn rug opklappen, zodat ie in de kleine nestruimte niet in de weg zit.

De staartmezen die nu ons land bevolken, hebben waarschijnlijk voor een groot deel in Scandinavië gebroed. Bij Falsterbo werden tienduizenden mezen gezien, die het land verlieten. Falsterbo ligt op de zuidpunt van Zweden. Trekvogels kunnen daar de oversteek naar Denemarken niet langer uitstellen. Als in een trechter drommen Noorse, Zweedse, Finse en Lapse vogels samen. Ook vogelaars drommen daar in de herfst samen. De vele pimpel- en staartmezen moeten vertrokken zijn vanwege voedselschaarste. Niet dat de Scandinavische winter vroeg is ingevallen. Waarschijnlijk viel in de bossen de zaadvorming tegen.

Nu er zoveel staartmezen komen, neemt de kans toe op witkopstaartmezen, een ondersoort uit het hoge noorden en verre oosten. Goed opletten dus!