Met pad op weg

Foto Marijke Wempe

Metgezel en ik lopen door de stad, een ijsje in de hand. Het is avond en nog maar net donker, voorzover het in een stad donker wordt. De laatste alarmroep van een merel sterft weg, een duif klapwiekt nog even voor hij naar bed gaat in een kruin. Twee planeten lichten op aan de bijna zwarte hemel, de eerste sterren flonkeren. De ijsjes gaan op.

In een oude, stenige woonwijk halen we een pad in. De pad sjokt voor ons uit over het smalle trottoir. Links muren van huizen, rechts auto’s in rijen. Wij vinden het een grote pad. Hoe groot zou de pad ons dan niet vinden? Vindt pad het griezelig dat we achter hem of haar blijven? Ik denk het wel, want als pad een schaduwhoekje achter een paaltje vindt, verstopt ze zich daar. Gezien het formaat houd ik het op een vrouwtje.

Ik til haar op, om haar naar veiliger oorden te brengen. Hier zou ze gegarandeerd platgereden, doodgetrapt of door een kat haar achterpoten afgebeten worden. Pad zit lijdzaam in mijn hand. Haar buik is glad, zacht en vochtig. Ik zou haar kunnen kussen, maar bijster aanlokkelijk vind ik dat niet en voor een prinses moet je een kikker hebben. Dit is een pad: groter, en van boven knoestiger en wrattiger. Metgezel vraagt zich af of ik nou wratten krijg. Nee, wratten krijg je van een virus, een pad heeft een ander soort bulten.

We brengen haar naar een binnenplaats met weelderige tuinen. Daarachter is een gracht. Pad lijkt het water te ruiken, ze was denk ik op weg naar water om te paren. Ze begint met verrassend krachtige kop te duwen. Maar de kade is hoog, we moeten over het brugje verderop naar de overkant. Daar is de oever een flauwe helling van gras. Ik laat haar los en ze stapt – kikkers springen maar padden lopen – doelbewust de helling af. Plons.

(Natuurdagboek Trouw dinsdag 14 april 2015)

Met pad op weg
DELEN