Merelalarm

Merel m. met jong, © Jeanette Essink

Zaterdagavond verdween de kou uit de lucht, zondagmorgen schijnt de zon vroeg en warm. De vogels zingen met ongekend elan. Het lijkt wel begin mei. Toch is het eind juni, de vogels hebben eieren of jongen. Dan kunnen ze beter geen aandacht trekken, want uit één op de drie huizen komt een kat die nesten leeghaalt en vogels pakt. Ik zag ’s nachts een kat een jong eendje grijpen. Kwaakwaakwaak. Eenden dutten aan wal. De volgende morgen was het hele eendengezin weg, tien kuikens.

Ik word vijf uur ’s morgens wakker en luister naar wat er uit de drie grote eiken achter het huis klinkt. Zwartkop, merel, tjiftjaf, merel, winterkoning, merel, boomklever en merel, merel, nog eens merel. Wat een merelgezang. Ze hebben er zin in.

’s Avonds hoor ik ook een merel. Maar die zingt niet, die slaat alarm. En hard ook, en aanhoudend. Het is een vrouwtje. Ze zit op de nok van een huis. Ik gluur om de hoek. Op het trottoir probeert een merelkuiken, al goed in de veren, weg te hippen van een kat. Ik jaag de kat weg. Wat nu? Ik kan niet dagenlang de bewaker uithangen. De moedermerel alarmeert maar door. Ze moet wanhopig zijn. En terecht, daar nadert reeds een tweede kat. Beide katten wachten tot ik vertrek. Mijn kinderen willen niets liever dan het kuiken adopteren en zulks geschiedt. Er zit wat bloed op zijn rug. Dochter improviseert een nestje in een schoenendoos, zoon verzamelt naaktslakjes. Het kuiken zit stil, springt ineens hoog op, stuiptrekt in de lucht en valt dood neer. We begraven het in de tuin, de moedermerel alarmeert niet meer.