Loeloeloe in de boom

Boomleeuwerik. Foto Koos Dijksterhuis
Boomleeuwerik. Foto Koos Dijksterhuis

We lopen door de duinen en pauzeren even. Er klinkt een hoog, helder en afwisselend vogelliedje, het doet aan piepers en leeuweriken denken. Wat is dit ook alweer? Enig speuren levert de zanger op. En zie: daar vliegt hij iets dichterbij om bovenin een vrijstaand boompje te gaan zitten.

De veertjes op zijn achterhoofdje waaien een beetje op. Daardoor lijkt hij op een veldleeuwerik, maar hij heeft zo’n duidelijke, witte wenkbrauw. En zijn staartje is opvallend kort. Een graspieper of graszanger is het evenmin. Ik blader in het vogelboek en o ja, natuurlijk, het is een boomleeuwerik.

Ze schijnen het wel aardig te doen, die neven van de wegkwijnende veld- en de onlangs verdwenen kuifleeuweriken. Ze gaan althans niet achteruit. Ooit zag en hoorde ik ze baltsen vanuit boomtoppen boven de hei in de Limburgse Maasduinen en vanuit de boomtoppen boven het blauwgrasland van Van Oordt’s Mersken in Friesland. Beide keren dwarrelden de boomleeuweriken als parachuutjes omlaag, een lied zingend dat klonk als “loeloeloeloe”. Daarmee zingen ze hun naam, want in het Latijnse wetenschapsjargon heten ze Lululla. Er zijn veel vogels die hun naam roepen, maar ik ken er drie die zelfs hun wetenschappelijke naam roepen en Lululla arborea, de boomlellebel oftewel boomleeuwerik, is er een van.

Boomleeuweriken trekken ’s winters naar het zuiden, maar niet ver. Sommige blijven zelfs in Nederland. Dit jaar zijn er misschien meer gebleven, want als er toch geen winter komt, waarom zouden ze dan vertrekken? Andere zijn misschien even voor de nachtvorst uitgeweken naar België en keren nu weer terug. Hoe dan ook, deze boomleeuwerik dwarrelt nog niet loeloeloelend neer, maar bazuint vanuit zijn boompje wel de lente rond.

(Natuurdagboek Trouw donderdag 3 maart 2016)