Libellen met een band

Bandheidelibellen, parend. Foto Jeanette Essink
Bandheidelibellen, parend. Foto Jeanette Essink

Eén van de gemakkelijkst herkenbare libellen is de bandheidelibel. Die brede, zwarte banden over de vleugels zijn onmiskenbaar. ‘Onmiskenbaar’ is een woord uit kringen van natuurkenners. Ik hoor het uitsluitend in verband met het vaststellen van soortnamen. Het is een begrip dat ik op mijn veertiende leerde kennen, toen ik bij de Jeugbond voor Natuurstudie ging.

Er is nog zo’n natuurwoord: pterostigma. Ptero is Grieks voor vleugel en stigma voor vlek. Vleugelvlek lijkt mij een uitstekend alternatief, maar nee, zo’n vlekje moet en zal pterostigma heten. Pterostigma’s zijn de vlekjes op libellenvleugels. Meestal één links, één rechts.

Bij de bandheidelibel worden de pterostigma’s volledig overschaduwd door de vleugelbanden. Althans, op het eerste gezicht. Bij nader inzien blijken de vleugelvlekjes vlak naast de zwarte banden te zitten. Ze zijn felrood, zo rood als het bandheidelibellenlijf. Tenminste, als het het lijf is van een volwassen mannetje. Jongemannen en vrouwtjes zijn van boven geelgroen, later groenbruin, en van onder bijna zwart.

Op de foto zijn man en vrouw goed te zien. Ze paren. Dat doen ze in het voor libellen typerende standje: de tandem. Deze twee zitten erbij, maar ze kunnen het ook vliegend.

Bandheidelibellen jagen op insecten in de begroeiing van sloten en poelen met schoon, kalkrijk water. Zulke sloten en poelen zijn er nauwelijks meer in ons van mest en chemicaliën doordrenkte land, maar hier en daar houdt opborrelend kwelwater een sloot of poel schoon. Vooral in Overijssel en Zuidwest-Drenthe komen deze prachtige libellen nog voor. Dat ik ze regelmatig heb gezien, dank ik aan Jeanette Essink, die een sloot ontdekte waar ze in augustus altijd te vinden zijn. En deze zomer hebben ze zich waarachtig in haar tuinvijver gevestigd.

(Natuurdagboek Trouw maandag 25 aug. 2014)