Leven aan de bosrand

Bosklit + landkaartje, Foto Koos Dijksterhuis

’s Morgens dienen zich nieuwe passanten aan bij onze tent aan de bosrand. Die bosrand warmt snel op in de morgenzon. Weldra gonst het er van de hommels, bijen en zweefvliegen. Er groeien struiken met paarse, distel-achtige bloemen. Dat zijn bosklitten, of klissen, klis en klit kan allebei. Wat zit daar een leven in! Allerlei zweefvliegen, van ranke langlijfjes tot witte reuzen. Honingbijen, hommels van een slag dat in Nederland nauwelijks voorkomt, weekschildkevers, vegetarische wantsen en roofwantsen, een blaaskopvlieg in wesp-achtig streepjespak, spinnen en slakken. De meeste slakken hebben gele huisjes. Ze lijken op tuinslakken, maar hun huisjes zijn iets kleiner en egaal eigeel, zonder strepen.

Een koolwitje doet even een lila bloem aan: cichorei. Die hadden we ’s avonds niet gezien. Cichoreibloemen sluiten zich ’s nachts hermetisch af. Landkaartjes fladderen voorbij, koevinkjes, boomblauwtjes, kleine vossen, dagpauwogen, atalanta’s en citroenvlinders. Een gehakkelde aurelia strijkt neer op de bloemenjurk van vriendin. Dan jakkert een oranje vlinder langs, met zwarte lijnen op de vleugels. Het is een keizersmantel, één van de grootste parelmoervlinders.

De hazen, reeën en ganzen struinen nog steeds over de stoppelvelden, de klauwieren zijn ook alweer wakker in de houtwal. Er zijn er drie, waarvan er één gevoerd wordt.

Plotseling verscheurt een hels kabaal de stilte. Vanuit het bos achter ons zwermt een groep mezen en andere zangers uit, belaagd door een wespendief. Dat is een buizerd-achtige roofvogel die vooral wespennesten leeghaalt, maar ook wel eens een vogel pakt. De zangvogels worden gered door een nog geduchtere vijand: een sperwer. Dat is de bron van het helse kabaal, woedend stort hij zich op de veel grotere wespendief. Die vliegt ervandoor.