Lente in januari

Hazelaarkatjes Foto Koos Dijksterhuis
Hazelaarkatjes. Foto Koos Dijksterhuis

Tussen de grauwe dagen door zijn vleugjes lente te bespeuren. Al een week of zes hoor ik spechten roffelen en duiven koeren. De koolmezen hielden niet eens een winterstop.

De elzen vormden in november katjes en de hazelaars volgden. Bij windstil weer springen die hazelaarkatjes er in laag, gedempt zonlicht uit als lichtjes in een kerstboom. Ze zijn lichtgroen en hangen als franje aan de kale bomen. Het zijn de mannelijke bloeiwijzen; de vrouwelijke verschijnen iets later boven die katjes, als piepkleine roze plukjes. Er bestaan botanici die er erotische associaties bij krijgen, waar ik me verre van houd, maar ik vind die katjes (m/v) wel een lust voor het oog.

Lezer Kees de Gier zag 18 januari speenkruid bloeien en Barbara McCourt meldde drie weken geleden sneeuwklokjes.

Lentebodes zijn altijd leuk maar als er tussen herfst en winter hooguit een weekje nachtvorst zit, dan zijn ze minder verrassend. De voorheen maartse en novemberse  buien – woeste winterse geselingen uit donkere wolken, afgewisseld met felle zon die laag door het schoongespoelde luchtruim priemt – nu in januari plaatsvinden. Alsof november twee maanden naar achteren en maart twee maanden naar voren is geschoven.

De temperatuur en het weer veranderen we met onze bosbranden, veestapels, wagenparken, fabrieken en vissersvloten, maar op de daglengte hebben we vooralsnog geen invloed. Die neemt sinds eind december toe, zoals altijd. Dertig jaar geleden zei men dat als de Chinezen ook allemaal een auto, een koelkast en een wasmachine zouden kopen, de aarde door de massaverplaatsing uit haar baan zou raken. Intussen is het zover, en de aarde draait gewoon door. Misschien is dat te danken aan de tweede auto, de tweede koelkast en de droogtrommel van westerlingen.

De aalscholvers krijgen witte veertjes, de futen krijgen kuiven, de eenden flirten, de reigers nestelen,  de uilen krijgen kuikens; lente!

(Natuurdagboek Trouw donderdag 27 januari ’22)