Lente in de kop, lente in de dop

Rode kornoelje in de bosrand. Foto Koos Dijksterhuis
Rode kornoelje in de bosrand. Foto Koos Dijksterhuis

Het was koud, maar de zon straalde uit een blauwe hemel en uit de wind was het lekker. Ik maakte één van mijn geliefde rondes. Aan de zuidrand van het loofbos hoopte ik op het eerste klein hoefblad, maar dat bleef zitten waar het zat: in de grond. Dat bos is niet zo spannend (hoewel mijn zoon daar hutten bouwt en er kamperende zwervers, dubieuze gereedschappen en een kleine wietplantage ontdekte). Maar in de bosrand staan kornoeljes en meidoorns, met in de kale takken de vogelnesten van vorig jaar. Er staat een grote eik uit de pas, hij wil zijn blad maar niet verliezen. Bruin en verdord ritselt hij tussen het stille winterhout.

Wat is dat voor lentegroen onder die meidoorn? Ik hurk en schuifel erheen. Het is kleine veldkers, altijd één van de eerste bloeiers. Maar hoefblad, ho maar.

“Mieuw, mieuw!” Twee buizerds cirkelen een hele tijd om elkaar heen. Ze fladderen met hun handjes. Lente in de kop.

Een vlieg vliegt voor me langs. Op kleine vossen en kleine vuurvlinders blijft het nog even wachten. Het is volop winter! Rond een wak dutten smienten op het ijs, en staan reigers te kleumen. Geen vogel kan er zo kleums uitzien als een reiger. Meerkoeten hobbelen de kant op. Ze prutsen wat met een zwanenmossel.

Als ik nader rennen ze halsoverkop het water in, net als de twee waterhoentjes. Het blijven rallen, altijd op hun hoede. Terwijl de koeten en hoentjes te water vluchten, peddelt een bataljon wilde eenden juist op me af, in de hoop op brood. Nee jongens, vandaag niet.

Hee, die kokmeeuw heeft al bijna een zwarte kop! Lente in de dop.

(Natuurdagboek Trouw maandag 9 feb. 2015)

Lente in de kop, lente in de dop
DELEN