Langs de stuifdijk op Schiermonnikoog

Ruigpootbuizerd

Van paal 10 op het Oosterstrand van Schiermonnikoog volgen we het Waterstaatpad. Dat ligt halverwege de helling van de stuifdijk, die ooit werd gestort ter bescherming van de kwelder en die zich met de jaren gesetteld heeft als een heuse duinenrij. Vanaf het pad overzien we de kwelder tot de Kobbeduinen. Er jagen blauwe kiekendieven boven de gele rietvelden. Vrouwtjes of jonge vogels, bruin met een witte stuit boven hun lange, smalle staart. In de verte wiekt een grote, die tegen de wind in blijft hangen, met klapperende vleugels. Bidden, heet dat, zoals de torenvalk boven ons doet. Kiekendieven doen dat nooit, al zou het me niet verbazen dat zo’n luchtacrobaat het eens probeert. Maar door de kijker blijkt het een ruigpootbuizerd te zijn, een forse buizerdsoort uit Lapland. Er zijn deze winter veel ruigpootbuizerds in Nederland, zoals er van meer Scandinavische vogels veel zijn. De ruigpoot verdwijnt achter de Kobbeduinen.

In de duindoorns scharrelen merels en kramsvogels. Kramsvogels zijn wat groter dan merels en bont gekleurd. Ze horen eveneens tot de lijsters en zijn verzot op fruit. Met duindoornbessen weten ze goed raad. Als ze overvliegen, roepen ‘tjaktjaktjak!’ In het Gronings worden ze daarom tjakkers genoemd. Al die merels en kramsvogels zouden een mooie buit zijn voor een sperwer en het duurt niet lang, of een sperwer stijgt op en vliegt voor ons uit. Het is een vrouwtje. Een mannetje zou kleiner zijn en een oranje borst hebben. Als we de sperwervrouw in dreigen te halen, zet ze koers naar de Kobbeduinen. Als een raket spurt ze over de vlakte, de storm uit zee in de rug.