Kuinder varens

©Koos Dijksterhuis, Wijfjesvaren (voor), Mannetjesvaren (achter)

Wijfjesvarens en mannetjesvarens zijn heel gewone soorten varens. Verschillende soorten, dat wel. Ze kruisen nooit. Wijfjes doen het met wijfjes, mannetje met mannetjes. Varenkenner Piet Bremer laat me varens zien in het Kuinderbos. Een breed wandelpad lonkt, maar Piet schudt zijn hoofd. We springen over een droge sloot, laten takken niet in elkaars gezicht zwiepen en slaan ons erdoorheen. ‘Pas op voor teken’, zegt Piet. ‘Die zitten hier veel en zijn vaak besmet.’ Honderdtwintig kilometer ontwateringsgreppel sjouwde Piet in 1979 af op varens. Een paar jaar geleden deed hij het weer. In 2007 promoveerde hij in Wageningen op zijn Kuinder varens. Hij ontdekte er dertig van de veertig Nederlandse soorten, waaronder zeer zeldzame en vier soorten die nooit eerder in Nederland waren gevonden. En dan meteen tientallen of honderden exemplaren van verschillende zeldzaamheden door elkaar. Je mag dus wel zeggen dat het Kuinderbos het puikje van ’s lands varens is.

Het Kuinderbos ligt in de Noordoostpolder, tegen het oude land aan. Het stamt uit 1947 en is dus oud voor polderbegrippen. Dat zie je aan de korstmossen op de boombast, de dikte van de bomen, de flora en fauna. Er leven zelfs boommarters.

In tegenstelling tot mannetjes- en wijfjesvarens, kruisen stijve en zachte naaldvarens wel eens. Zachte naaldvarens zijn één van de vier voor Nederland nieuwe varensoorten die Piet hier ontdekte. Lansvaren, groensteel en geschubde mannetjesvaren waren evenmin eerder in Nederland gevonden. De stijve was geen nieuwe soort voor Nederland, al scheelde het niet veel met maar één vondst in Zuid-Limburg.

‘Ach kijk’, zegt Piet vertederd, ‘een geschubde mannetjesvaren. Die vond ik ook tijdens mijn onderzoek in 1979. Die was toen onbekend in Nederland. In Engeland waren ze wel algemeen. Ik denk dat ze dankzij het warmere klimaat naar het oosten oprukken. Ze verschillen van gewone mannetjesvarens door hun olijfgroene blad, en een lila waas door die schubjes op de steel. Het was afgelopen winter ook koud, maar er heeft heel lang sneeuw gelegen. Onder een pak sneeuw overleven die varens de vorst wel.’

Ook beide naaldvarens zijn uit Engeland overgewaaid. Verder groeien hier gebogen zowel als rechte driehoeksvarens, steenbreekvarens en blaasvarens. Maar vooral tongvarens, een voor Nederland zeldzame soort. Niet voor dit bos. Hier telde Piet er in 2007 15 duizend. In het sterk gefilterde zonlicht geven ze het bos een tropisch sfeertje. Tongvarens groeien op kalkrijke rotsen, muren en bosgrond. In het Kuinderbos doen ze het uitstekend.

Het Kuinderbos is Luilekkerland voor varens. Een ideale bodem van veen met kalkhoudende Zuiderzeezand en vooral: niet te licht. ‘Een lichttoetreding van twee tot vijf procent is het beste’, zegt Piet. Meer lichtinval en je krijgt bramen en brandnetels in plaats van varens. Weer buiten het bos kloppen we de sporen, naalden en aarde van onze broek.

De volgende avond schiet me Piets waarschuwing te binnen. Ik inspecteer mezelf van onderaf en kom al in mijn achillespees een teek tegen. Ik draai hem los. Er verschijnt geen cirkel, maar dat garandeert niets. Op hoop van zegen dan maar. De borreliabacterie is ook een gewaardeerd schepsel Gods, maar liever niet in mijn bloed.