Koos voor vogels

Weggetje naar Koos met peen in de berm, Foto Koos Dijksterhuis

Koos ligt voor de Voorpommerense kust in de Oostzee. Het eilandje is ik schat anderhalve vierkante kilometer groot en is deel van een tien keer zo groot natuurreservaat, met slikken, kwelders en hooilanden. We lopen in de broeierige middagzon over het dammetje naar Koos, onderwijl vogels kijkend. De bermen van het wagenspoor op de dam zijn wit van bossen witte honingklaver en van peen. Peen heeft witte schermbloemen, soms met een zwarte stip in het midden. Ik wil altijd nog eens proberen hoe de wortel van wilde peen smaakt. Er staan ook gele schermbloemen: pastinaak, nog een wortel om eens te proeven.

In het westen torent boven de grauwe ganzen een kraanvogel uit. Boven de kraanvogel torent aan de horizon een massief, proletarisch bouwwerk uit. We vragen een streekbewoner wat het is. Het is een diergeneeskundig onderzoeksinstituut. Dat klinkt diervriendelijk.

‘Daar worden dierproeven gedaan’, merkt vriendin op.

Maar de zon schijnt, de zee is blauw, het riet groen. In dat riet klinken mysterieuze geluiden. Gefluit van witgatjes, steltlopers die hun najaarstrek naar het zuiden reeds beginnen. Er zijn er tientallen. Ze hebben donkere vleugels en spierwitte konten. Ze landen in plassen tussen het riet en zijn dan onzichtbaar.

Ook onzichtbaar is de geluidsbron van gegil en gekwek vlakbij. Een waterral, de grote grijze neef van het waterhoen. Waterrallen hoor je vaker dan dat je ze ziet. Ze sluipen door het riet.

Nog een geluid klinkt uit het riet: ‘Ting! Ping!’ Daar zijn ze al: vier baardmannetjes in de rietpluimen. Oranjebruin met zwarte bakkebaarden.

Op Koos stuiten we op een enorm hek met verbodsborden. We mogen niet verder. Des te beter voor de vogels.