Koning winter

Winterkoninkje, © José Jansen

In het besneeuwde en berijpte bos op Schiermonnikoog klinkt de alarmroep van een winterkoning. Als een winterkoning alarm wil slaan, zou hij beter kunnen zingen. Winterkoningzang wordt altijd vergeleken met een wekker. Het doet het vogeltje geen eer aan. Hij laat weliswaar een wekkertje rinkelen, maar zingt veel meer dan dat. Zijn alarmroep echter is een armzalig aftreksel, een nerveus gerikketik. Er zijn in het bos veel winterkoninkjes. Ze hebben het vast moeilijk met de opgevroren sneeuw en de rijp die als een diamanten versiering alle twijgen omhult. Hoe kan een winterkoning nou insecten vinden, insecten die in kieren in boombasten overwinteren? Toch moet zo’n vogeltje elke dag een paar keer wat eten; zijn ondermaatje laat geen interen toe. Misschien eet hij, als het echt niet anders kan, wel bessen. Bessen zijn er genoeg. Een paar overrijpe donkerrode meidoornbessen, veel oranje duindoornbessen en rode duinrozenbottels. De roodborstjes, ook van die kleine volharders, eten fruit, maar winterkoninkjes zijn insecteneters pur sang. Net als heggenmussen, eveneens kleine vogels die de winter in Nederland doorbrengen. De meeste insecteneters zijn afgetaaid naar het zuiden. Het voordeel van hier blijven is dat ze, zodra weer en voedselaanbod bijtrekken, met broeden kunnen beginnen. Maar nu moeten ze, ijs en weder diendende, zien te overleven. Dat valt niet mee, naar verluidt sterven soms negen van de tien winterkoningen. In tuinen kunnen ze beschutting vinden in nestkastjes, er schijnen weleens negentig winterkoninkjes in een nestkast gevonden te zijn. Negentig! Allemaal bovenop elkaar gepropt. In de sneeuw vallen ze goed op. De één na de ander zien we wegfladderen met hun korte staartje. Ze zijn ook tammer dan anders, ze komen vlakbij.