Kleumende weidevogels

Knobbelzwanen. Foto Koos Dijksterhuis
Knobbelzwanen.
Foto Koos Dijksterhuis

Het land rilt van de kou in een ijzige noordooster onder een donker wolkendekbed, maar Groningen baadt in een onwaarschijnlijk felle zon. We laten ons uit de tent lokken en lopen door de Onnerpolder, bij Haren. In het zuiden zien we de grijze massa dreigen. Met de wind in de rug en de zon in het gezicht, krijgen we het warm. Andersom schuurt de wind wreed langs de wangen.

Pas ontloken speenkruiden verstoppen zich onder de sneeuw op de taluds langs dijkjes en sloten. Wilgen- en elzenkatjes zijn des te zichtbaarder, zonbeschenen tegen de hemelsblauwe achtergrond.

We laten Maart’ns Bossie links liggen. Gezien de hekken en verbodsborden wil Maart’n dat ook. We zijn in een milde bui, we houden ons aan andermans regels.

De modderige grindweg voert ons noordwaarts langs de vaart, richting Winschoterdiep. Op de wit uitgeslagen velden kleumen knobbelzwanen, grauwe ganzen en Nijlganzen. Kleine vogels zwermen met een piepje op van de overkant van de vaart. Het zijn piepers, waarschijnlijk graspiepers, hoewel sommige donker overkomen. Dat zouden oeverpiepers kunnen zijn. Graspiepers broeden op grazige grond, bijvoorbeeld op slootoevers. Er vliegen ook plompere zangvogels op, met puntige vleugels: veldleeuweriken. Deze vochtige weiden worden beheerd door het Groninger Landschap. Er zijn veel weidevogels.

Twee kieviten baltsen boven een door dun ijs bedekte plas. Maar de meeste kieviten staan te kleumen in de blank gezette polder langs het Winschoterdiep. Vanaf de sluis heb je weids uitzicht over dit gebied. Honderden eenden van diverse snit wachten er op de lente, evenals een stuk of veertig grutto’s. Op de eerste de beste lentedag zullen ze hun prachtige roep laten horen: ‘o grut, o grut, o grut!’

(Natuurdagboek Trouw 15 maart 2013)