Klein koolwitje vliegt

Klein koolwitje, © Jeanette Essink

Nachtvlinders vlogen ook in de winter wel rond, maar voor dagvlinders moet je in de zomer op pad. Na citroenvlinders en kleine vossen zijn de eerste dagpauwogen verschenen en nu komen de koolwitjes tevoorschijn. Sommige tuinders en moestuinders slaat de schrik om het hart. Maar koolwitjes lusten meer dan kool alleen. Andere kruisbloemigen en Oost-Indische kers in de buurt zou ze kunnen weglokken. Toch is en blijft kool een geliefde waardplant. Overigens komt zo’n koolplant niet onder de rupsen te zitten, één rups, soms twee of drie per plant, meer zijn het er niet. Die rupsjes nooit-genoeg kunnen heel wat groen verstouwen, maar zijn in een gemiddelde moestuin best onder de duim te houden, door de kool te controleren en de rupsen een eind verderop los te laten op bijvoorbeeld veldkers, raapzaad, look-zonder-look of pinksterbloem.

Niet dood maken natuurlijk, u maakt toch geen vlinders dood? Laat het doden van rupsen liever over aan mezen en andere vogels, hooiwagens, lieveheersbeestjes en hun larven, roofwantsen en sluipwespen.

Het klein koolwitje komt vanouds voor in Europa, Afrika en Azië en is met mensen meegelift naar Amerika en Australië. Tot hoog in de bergen leven koolwitjes. De vroege fladderaars van nu hebben de winter als pop doorgebracht. Ze leven tot hooguit eind juni, waarna een tweede en derde generatie het overnemen. Zo kunnen koolwitjes zich behoorlijk rap uitbreiden.

Kleine koolwitjes lijken op grote koolwitjes, maar hebben kleinere en vagere rouwranden aan de vleugeltip en ze zijn natuurlijk kleiner. Bovendien komen de grote koolwitjes in de lente wat trager en later op gang. Als u nu een koolwitje ziet, is het waarschijnlijk een klein.