Kever in de stront

Mestkever. Foto Koos Dijksterhuis
Mestkever. Foto Koos Dijksterhuis

Ik durf het bijna niet te zeggen, maar als je wild kampeert, kan het gebeuren dat je een kakelverse drol onder ogen krijgt. Binnen seconden komen er vliegen op de stront af, geen ander spreekwoord is zo natuurgetrouw. Blauwe vleesvliegen met roodbruine ogen, kopergroene vliegen en oranjebruine strontvliegen.

Mestkevers doen er langer over. Ze strompelen met stramme pootjes over de bosgrond. Het zijn mooie kevers, met hun bolle, blauwglanzende keverrug. Mijn vriendin weet zeker dat de Volkswagen-kever de mestkever als ontwerpvoorbeeld had. Hoe zij dat weet, weet ik niet. Maar ze zou gelijk kunnen hebben.

Mestkevers zijn zo traag en talrijk, dat op landweggetjes overal in het wegdek geponste mestkeverschildjes glinsteren. Op bospaden stumperen mestkevers over richeltjes, waarbij ze vaak achterovervallen. Op de rug begint het eindeloze gespartel. Ik heb er al heel wat overeind geholpen. Even een stokje boven de roeiende pootjes houden, ze klampen zich vanzelf vast. Zou zo’n uit de hemel neerdalend stokje voor een mestkever, die al een uur in doodsstrijd ligt, reden zijn om in een opperwezen te geloven, een opperwezen dat Zich enorm om hem als kever bekommert? Waarschijnlijk niet, een mestkever neemt zijn wonderbaarlijke redding vast voor zoete koek aan.

Ik red mestkevers liever met een stokje dan met de hand. Niet omdat ik kevers griezelig zou vinden. Maar hoe mooi en aandoenlijk mestkevers ook zijn, ik vind ze vies. Want die poep waarop de vliegen zitten, die trekt mestkevers aan. Met tien tegelijk zag ik ze een drol bestormen. Eén mestkever duwde met kracht de uitgedroogde poepkorst omhoog, om daaronder in de zachte brij te verdwijnen. De korst sloot zich als een klep over hem.

(Natuurdagboek Trouw donderdag 22 augustus 2013)