Kever in de gang

Parende rozenkevers, © Jeanette Essink

Er zit een kever in de gang. Een kleine, roodbruine kever, een centimeter van kop tot kont. Als ik ’s avonds het licht aandoe, ligt hij roerloos in een hoekje. Maar hij komt direct tot leven. Ik pak het op om hem naar buiten te jodelen. Mooi niet, dat beest wringt zich met zo’n kracht in bochten, dat ik hem tussen duim en wijsvinger niet kan houden. Het is laat, ik wil slapen, ik laat hem maar tot morgen. Als hij er dan nog zit.

Hij zit er nog, nee, ligt er nog. Hij is dood. Het is een rozenkever. Eén van de algemeenste kevers, ook in de tuin. In de tuin staan een paar rozen, maar rozenkevers eten allerlei knoppen en ook wel blad. Het zijn echte zomerkevers. Op warme dagen vliegen ze laag boven het gazon. Dan kan de gezinsuitbreiding snel gaan. Binnen enkele dagen legt een jong rozenkevervrouwtje eieren. Ze graaft zich daarvoor tien, twintig centimeter de grond in.

Tuiniers zijn niet gek op rozenkevers. Wie op internet zoekt naar rozenkever, belandt op allerlei bestrijdingssites. Rozenkevers zijn familie van meikevers en hun larven zien eruit als kleine engerlingen. Net als die larven eten ze ondergronds graag graswortels. Het gazon kan er flink door gehavend raken. Daar komen vogels, spitsmuizen en mollen op af, waarvan de laatste zelf ook al onvoorzichtig met de grasmat omspringen. Als larven in de herfst nog larve zijn, overwinteren ze diep in de grond.

Een dag later zit er alweer een rozenkever in huis. Ik schep hem op een ansicht en gooi hem eruit. De ansicht is een vakantiegroet. Er staat een rozentuin op.