Kennemerduinen

Hooglander, © Koos Dijksterhuis

Bij Koevlak betreden we de duinen van Zuid-Kennemerland. We lopen een ronde met Parnassia als keerpunt, het strandpaviljoen. Ruim 9 kilometer, de wegwijzer zegt drie uur, maar dat kan sneller. De middag vordert, we hebben zaklamp noch kompas, we wilen voor donker terug zijn.

De tocht voert langs duinmeertjes en uitzichtpunten als Hazenberg en Konijnenberg. Hazen of konijnen zien we niet, wel fabrieken (Ijmuiden), flats (Zandvoort) en een als kerstboom gecamoufleerde zendmast. Een zwerm spreeuwen strijkt neer in een vochtig valleitje. In een plas grondelen twee knobbelzwanen en kleumt een watersnip in de gure zuidooster. De snip verroert zich niet, hij lijkt een donkere aardkloot.

‘Tjakthaktjaktjaktjaktjak’; het wemelt van de tjakkers: kramsvogels, steviggebouwde lijsters uit het noordoosten. Ze vreten zich dronken aan duindoornbessen. Groepjes pimpel- en staartmezen hippen door de kaal gewaaide kruinen van vlieren, berken, eiken en kardinaalsmutsen.

Op het terras van Parnassia zitten we uit de wind, in de zinkende zon. Over zee vliegen honderden kokmeeuwen naar het zuiden. Er dobbert een dikke zeeduiker die bijna overvaren wordt door een garnalenkotter. Huismussen azen op kruimels, een groepje dames slobbert van de wijn en moet één voor één naar het toilet. Weten ze dat het damestoilet is voorzien van eenrichtingsspiegels waar je vanaf de heren doorheen kijkt?

Stevig benen we terug. Aalscholvers verzamelen zich voor de nacht op het Vogelmeer. Ons pad wordt versperd door een enorme Hooglanderstier. Hij laat ons passeren. Er staan steeds meer stieren op het pad. Ze hebben gigantische horens. Het zijn goedzakken, maar als er één naar ons blijft kijken terwijl hij een struik te lijf gaat, voelen we ons niet op ons gemak. Maar hij doet niks.