Kaukasische schaduwbomen

Vleugelnoot. Foto Koos Dijksterhuis
Vleugelnoot. Foto Koos Dijksterhuis

Een hele tijd wist ik niet wat voor bomen het waren. Elke keer als ik er een zag, dacht ik: thuis opzoeken. Maar thuis was ik dat alweer vergeten. Tot ik er toevallig een plaatje van tegenkwam. Even spieken: vleugelnoot.

Sindsdien zie ik ze vaker. Ze staan bij mij in de buurt en in vele stadsparken. Het zijn uit de Kaukasus gehaalde sierbomen. Menig zelfverklaard natuurliefhebber krijgt nu een rood waas voor ogen: exoot! Dood! Onder het mom van natuurliefde wordt veel gehaat en gedood. Maar vleugelnoten verwilderen zich niet ten koste van andere boomsoorten. Ze zullen misschien minder insecten en schimmels huisvesten dan inheemse bomen als eik en iep, maar verder zou ik geen bezwaren tegen deze bomen kunnen bedenken. Ze hebben ook al twee- à driehonderd jaar kunnen inburgeren. Vleugelnoten kunnen de tweehonderd jaar halen, misschien zijn er bejaarde exemplaren die Napoleon hebben meegemaakt.

Het zijn uitstekende schaduwleveranciers. Uit hun dikke stam groeien al laag grote zijtakken, die garant staan voor een brede, dichte bladerkroon. Laatst wachtte ik op iemand aan de rand van een park. Het was warm en ik ging op het gras zitten onder een… juist.

Vleugelnootbladeren lijken op essenbladeren, en hun bloemen hebben wel wat van de dwarrelende bloemetjes van iepen. Vleugelnoten bloeien alleen in lange slierten, de vrouwelijke bloemen althans. Het zijn enorme katjes. En ze dwarrelen niet als groene sneeuw uit de boom zoals iepenbloemen in de lente. Eerst laten ze hun zaadjes rijpen: kleine nootjes in een gevleugeld jasje. In de nazomer vallen ze uit de boom.

Er bestaan meer soorten, maar in Nederland zijn vooral Kaukasische vleugelnoten geplant. Die kunnen tegen winterkou – in de Kaukasus kan het streng vriezen. Al pakt een nachtvorst in de lente soms vernietigend uit voor hun dan uitbottende knoppen. Die vormen ze in de herfst, nadat ze hun blad laten vallen.

(Natuurdagboek Trouw woensdag 6 oktober ’21)