Katjes

Wilgenkatjes berijpt, © Jeanette Essink

Twee weken geleden al verschenen de eerste wilgenkatjes. De ene wilg is de andere niet, al zijn de vele soorten nauw verwant en lastig te onderscheiden. Grauwe wilg, grijze wilg, schietwilg, kraakwilg, kruipwilg, katwilg, treurwilg, laurierwilg, kronkelwilg en dan vergeet ik nog een paar Nederlandse wilgen. In het buitenland zijn er natuurlijk nog meer, vijfhonderd wel. De kronkelwilg is een tuinboompje. Wilg schijnt af te stammen van het oude woord welig, wat kronkelig zou betekenen. Kronkelwilg is dan een pleonasme, al kronkelt de kronkelwilg weliger dan andere wilgen. Wilgen tieren wel altijd welig; je kunt ze knippen, knotten of kappen en ze botten onbekommerd opnieuw uit. Hun uitgebloeide katjes waaien of drijven weg, wilgen staan immers vaak aan het water (ah, waterwilg vergeten), blijven haken aan een oever waar ze een nieuwe wilg worden. Je kunt wilgentakken in vochtige aarde steken en hebt gerede kans dat ze wortelen. Op vruchtbare bodem heb je binnen zes jaar een boom waar je tegen op kijkt. In truttige tuintjes met veel steen en tuinkabouter zie je vaak een onder de duim gehouden variant, een laag blijvende wilg met een hompige kruin op een stammetje van anderhalve meter. Een tussenvorm van een echte en een bonsaiwilg. Ik vind die bonsaituinwilgen beklagenswaardige stumpers. Als bomen konden pesten, zouden deze boompjes de klos zijn.
Op de foto staan berijpte katjes van ik denk de waterwilg, want die kan op een beschut, zonnig plekje soms al begin januari bloeien. Maar anders is het een grauwe wilg. Het zijn mannetjeskatjes. Vrouwtjeskatjes bestaan ook, aan aparte bomen. Katjes zijn bij plantenzaken te koop, maar je kunt ze ook van de boom knippen.