Karpermuilen

karper
Karper. Foto Koos Dijksterhuis

Karpers zijn algemene zoetwatervissen. Ze zwemmen in vaarten, plassen en vijvers en zijn in trek bij sportvissers. Ze zijn niet heel moeilijk te vangen, want ze eten bijna alles. Al heb ik eens een visser aasbolletjes met een slinger tientallen meters zien wegwerpen. Zo hoopte hij karpers te lokken. Helaas voor hem kaapte de plaatselijke hanggroep van kokmeeuwen bijna ieder aasbolletje weg. De visser klaagde dat hij vooral de meeuwen voerde, maar leek daar niet onder gebukt te gaan.

In ondiep water hoef je maar net te doen of je iets lekkers aanbiedt, of de karpers steken hun opengesperde muilen de lucht in. Ik las eens over een roodborstje dat aan de vijverrand kleine beestjes zocht voor z’n jongen. Ineens opende zich zo’n karpermuil vlakbij hem. Als in een reflex leegde de vogel zijn snavel in de vissenbek. De ene opengesperde bek of de andere, wat maakt het uit, en deze was handig dichtbij en niet te missen, zo groot.

Karpers zijn verwant aan brasems en hebben net als die vissen een brede smaak: waterplantjes, muggenlarven, weekdieren, vissen- en amfibieëneitjes. Ze schuimen de bodem af, waarbij ze modder opwoelen. Wie helder water wil, kan beter geen karpers kweken.

Karpers hebben een hoge rug met een ferme rugvin die vaak uit het water steekt, zeker als ze in ondiep water belanden. En dat doen ze vaak, bijvoorbeeld om te paaien. Dan zetten de vrouwtjes eitjes af die door de mannetjes van hun homvocht voorzien worden. Vervolgens rijpen er minikarpertjes. Je zou het buitenbaarmoederlijke, zelfs buitenlichamelijke zwangerschappen kunnen noemen.

Karpers kunnen tientallen jaren oud worden en daarbij uitdijen tot decimeters lange, tientallen kilo’s zware jongens.

(Natuurdagboek Trouw dinsdag 25 okt. 2016)