Kamperen bij de boer

Strand Bretagne; © K. Dijksterhuis

Heel Frankrijk blakert in de zon onder wolkenloos blauw. Heel Frankrijk? Nee, één dorpje in het uiterste westen blijft in de wolken. Bretagne. Er zijn menhirs, een onverstaanbare taal, appelwijn, een enorm eb-en-vloedverschil. Het is er woest, ledig, winderig en nat. Karel de Grote veroverde Noord, Oost en Zuid, maar Bretagne liet hij liggen. Maar het is Frankrijk, het ligt aan zee en het lijkt minder ver dan de Provence, dus zwermt Nederland ook naar die provincie uit. Daar blijkt het verder dan gedacht en blijft men om de eerste de beste rotshoek steken, in de buurt van de Mont-St.-Michel, waar men meteen een dag zoet is met parkeren en in de rij staan.

Wie zich door de donkere binnenlanden waagt, kan naar Benodet, bij Quimper. Benodet klinkt even geolied als Lloret de Mar of Torremolinos, maar is veel winderiger, natter, kleiner en mooier. Er is een camping aan zee. Ooit was het een boerderij. Het begon met een paar tenten, nu heeft de Bretoense boer een enorm kampeerterrein met winkel, restaurant, stroompaaltjes. De percelen zijn gescheiden door smalle, dichte houtwallen. Er leven vliegende herten in. Eekhoorns rennen over de elektriciteitsdraden boven de aangrenzende weg. Groene spechten lachen je ‘s morgens toe. Als de zon schijnt loop je zo het strandje op. Als het bewolkt is ook, dan kun je schelpen zoeken (kauries!), tussen de rotsen scharrelen of met een bootje naar de overkant van de baai liften en het schiereiland aflopen. Geen mens te zien, wel strandlopers.

Er varen bootjes naar diverse eilanden. Je wordt zeeziek, maar maakt kans op dolfijnen, Jan van genten en pijlstormvogels.