Jubelende leeuweriken

Veldleeuwerik. Foto Erik Sanders
Veldleeuwerik. Foto Erik Sanders

Ons terras en het gras om ons huisje op Schiermonnikoog is een slagveld van gevallen takken. Voor ik ze opruim hang ik vetbollen op. Binnen vijf minuten hangen de eerste mezen eraan. En passant inspecteren ze de nestkastjes. Het is zonnig en niet zo koud. Bij het huis horen we tussen het gekef en gegorgel van brand- en rotganzen door het gemauw van kieviten en de kreten van scholeksters.

We hebben vier kinderen bij ons en hijsen het gezelschap in jassen en op fietsen. Bij de Kobbeduinen lopen we het rondje langs het baken. Twee hazen hollen mee. In de verte verraadt zacht gejodel de aanwezigheid van een wulp. Terwijl de meeste wulpen nog hun winterkostje op het wad bijelkaar scharrelen, krabben enzo, zijn sommige wulpen al bezig met het broedseizoen op de kwelder. Wie daar ook mee bezig zijn, zijn veldleeuweriken. Hoorde je die lentebodes veertig jaar geleden door het hele land zingen, nu moet je ervoor naar natuurgebieden als de kwelder op Schiermonnikoog. Daar, in het woeste en ledige land waar kort gras, hoog gras, stuifzand en modder elkaar afwisselen, daar broeden ze nog. En daar fladderen ze nu, hoog tegen de zonnige lucht. Komt allen tezamen, jubelend van vreugde.

Na dat vrij lang aangehouden jubelen zeilen ze van hun hoge positie nazingend naar beneden, om uiteindelijk in het gras te belanden. Even later klimmen ze weer zingend naar grote hoogten. Ze zijn groter dan de graspiepers op wie ze lijken en met wie ze hun leefgebied delen. Behalve een groter formaat hebben leeuweriken driehoekige vleugels en een klein kuifje. Of kuifje, het is meer een uit de nek opgeschoren kapsel.

(Natuudagboek Trouw 28 feb. 2014)