Jong en groen

Jong in het groen. Foto Koos Dijksterhuis
Jong in het groen. Foto Koos Dijksterhuis

Toen ik bij de Jeugdbond voor Natuurstudie en Natuurbescherming kwam, was ik al veertien. Ik had meteen spijt dat ik twee jaar eerder niet durfde. In de natuurclub bleken leuke mensen actief te zijn, die net als ik meer met dieren of planten hadden dan met brommers. We fietsten einden en speurden door gebutste verrekijkers. We organiseerden alles zelf, en mochten later thuis komen dan leeftijdsgenoten, omdat we ‘uilen luisterden’. Welke ouder zou uilen luisteren niet toejuichen?

Ik zat bij de ACJN, de algemeen christelijke. Wij togen op pad op zaterdag, de heidenen van de NJN deden dat op zondag. Ik mocht ‘s zondags niet op excursie, op zondagochtend moest ik naar de kerk. Op kampjes mocht ik wel, ook als er een zondag in viel. Over kerkgang heb ik daar nooit iemand gehoord. Wel werd stilte betracht voor het eten, ook al bad er niemand. Verder weet ik geen verschil met de NJN.

Tegenwoordig heet de ACJN trouwens JNM, de C maakte plaats voor de M van milieu, dus niets staat een fusie met de NJN in de weg, lijkt me. Schrap dan meteen de term Jeugdbond, die klinkt zo Leni-Riefenstahl-achtig. Wandervogel, Körperkultur.

De natuurclubs zijn klein, maar fijn. Ze mogen klein blijven, maar niet nog kleiner worden. Daarom werft de NJN leden, met steun van Natuurmonumenten. Geen betere en leukere bodem voor natuurliefde dan de jeugdbonden! Zondag gingen vanuit het bezoekerscentrum in landgoed ’s-Graveland jongeren van 11 tot 25 jaar elk uur op pad om zoveel mogelijk soorten planten en dieren te scoren. Tot verrassing van de boswachter wisten ze maar liefst 530 van de 640 daar voorkomende soorten te vinden.

(Natuurdagboek Trouw 4 juni 2013)