IJsberen vlakbij

IJsberen_1164 Foto Koos Dijksterhuis ndb wo9.9.15
IJsberen. Foto Koos Dijksterhuis

De stuurman tuurt door zijn verrekijker over de zee vol ijs. “Polar bear”, zegt hij, “ijsbeer”. De beer steekt vuilgeel af tegen het ijs. IJsberen zijn ook niet wit, hun haren zijn doorschijnend. De huid eronder is zelfs zwart en de haren zijn hol. In die haren leven soms bruinige algen, en een berenvacht kan vies zijn van bloed en andere etensresten.

Langzaam nadert ons schip de beer, maar we stoppen op ruime afstand. De beer ligt op een ijsschots te dutten tegen een ijsduintje. Hij trekt één oog open, sluit het weer en dut verder. Na een tijdje kijkt hij gapend naar de boot en rekt hij zich in allerlei yogastanden uit.

IJsberen zijn niet bang, zelfs niet voor een schip dat plotseling boven de ijszee uittorent. De beer draait zich om en slaapt verder. Hij staat na een half uur op, gaapt nog eens diep en sjokt weg.

Later komen we een berin tegen met twee jongen. Die berin is wantrouwiger; ze reikhalst naar de boot, roept met een grom haar jongen bij zich en vervolgt haar wandeling.

Nog later zijn er maar liefst vier ijsberen. Ze staren allevier naar de boot. Eén gaat erbij liggen en knapt een uiltje. De tweede kromt zijn rug, heft zijn staartje en hurkt door zijn achterpoten om eens lekker te poepen. De beide andere zijn aan het stoeien. Soms lijken ze te knuffelen, dan weer staan ze worstelend tegen elkaar op.

De stoeiers wandelen naar de boot, waar wij over de reling hangen. Ze springen van schots naar schots of zwemmen even, zich weer moeizaam ophijsend. Ze komen vlakbij om ons beter te zien en te ruiken.

(Natuurdagboek Trouw woensdag 9 sept. 2015)