IJsberen eten veel vet

IJsbeer. Foto Gert Polet
IJsbeer. Foto Gert Polet

Op Spitsbergen zagen we een ijsbeer. Het was meer een vermoeden van een ijsbeer dan een echte ijsbeer. Zo verweg sjokte hij over het ijs, dat ie alleen door een verrekijker te zien was. Een klein ijsbeertje, gelig tegen de witte achtergrond van een gletsjer. Alle Trouwlezers en andere opvarenden waren opgewonden, enfin, u heeft erover kunnen lezen in een mooie column van Rob Schouten, die erbij was.

IJsberen eten vooral ringelrobben en zadelrobben, maar als die er niet zijn, pakken ze ook wel een grotere zeehond, een baardrob bijvoorbeeld, of zelfs een jonge walrus. Ze vieren feest als er een dode walvis aanspoelt. En nu de hoeveelheid pakijs afneemt, waarop zeehonden liggen, wijken ijsberen soms uit naar broedkolonies brandganzen of kleine rietganzen. Daar sjokken ze dan kriskras doorheen en eten een hoeveelheid eieren waar zelfs Paul Newman zijn hoed voor zou afnemen. Maar meestal eten ijsberen prooien die grotendeels uit vet bestaan. Blubber, zeggen Engelstaligen. Daarmee oliet een beer zijn eigen speklaag, die onontbeerlijke buffer tegen de poolkou.

IJsberen zijn nog sterk verwant aan bruine beren maar hebben zich in de relatief korte tijd van 400 duizend jaar aangepast aan kou en zee. Met hun gestroomlijnde kop en brede voeten zijn ze eersteklas zwemmers. Hun vacht lijkt wit maar is kleurloos en laat ieder zonnestraaltje door tot de huid, die zwart is.

Een ijsbeer kan voor de helft uit vet bestaan. Daardoor hebben ijsberen veel cholesterol in hun bloed. Wij zouden er een hartstilstand van krijgen, maar ijsberen, zo blijkt uit door het Wereldnatuurfonds gesteund internationaal berenonderzoek, hebben aangepaste genen die voorkomen dat hart en bloedvaten dichtslibben. Dat stond 8 mei in het wetenschappelijke tijdschrift Cell.

(Natuurdagboek Trouw dinsdag 24 juni 2014)