Houtpantserjuffers

Houtpantserjuffer. Foto Koos Dijksterhuis
Houtpantserjuffer. Foto Koos Dijksterhuis

Aan het einde van de middag nemen ze vlakbij me plaats op een takje, op een trui aan de waslijn, op het cavia-hekje, op een uitgebloeide bloem of op mijn knie. Hun lijf glanst kopergroen in de avondzon. Daarom komen ze natuurlijk pas aan het einde van de middag op het terras, omdat de zon daar dan schijnt. Zelf zit ik er ook het liefst aan het einde van de middag. Misschien nemen houtpantserjuffers ook wel de hele dag plaats op die rustplekken, met uitzondering van mijn knie, maar zie ik ze alleen aan het einde van de middag, als ik erbij ben.

Het gaat al weken zo en ze zijn er nog steeds, die houtpantserjuffers. Met hun zes behaarde pootjes grijpen ze zich stevig vast, hun lange lijf priemt achteruit, en met hun bolle ogen houden ze bewegingen in de gaten. Benader ik er een met de camera, dan vliegt ie gauw weg. Zit ik argeloos in een stoel, dan komt er een op me zitten. Maar dan ligt de camera binnen.

Houtpantserjuffers zijn bewoners van stadsvijvers. Ze leggen eitjes op takken die over het water hangen. Dode takken, met loslatende bast. Onder dat houtpantser zitten de eitjes beschut. Soms komen de juffers op een geschikte tak met een aantrekkelijke bast groepsgewijs eitjes afzetten.

Houtpantserjuffers kunnen tot ver in de herfst blijven vliegen, maar als er nachtvorst komt, is het met ze gedaan. Hun eitjes kunnen daar beter tegen. Die houden zich de hele winter koest onder hun bast en komen in de lente uit. De larven plonzen in het water, waar ze in een maand of drie groot genoeg zijn voor hun uitsluiping, de metamorfose tot juffer.

(Natuurdagboek Trouw dinsdag 7 okt. 2014)