Hoppen over de hei

Dwingelderveld, © K. Dijksterhuis

Op het Dwingelderveld ligt een zandkuil tussen afkalvende hellingen met kuiven van hei en gras. Alje Zandt, voorlichter van Natuurmonumenten, troont ons er vanuit het bezoekerscentrum mee naartoe. In de vestibule staan tientallen laarzen, voor elke maat wat wils. Volgens Alje houden we het in onze bergschoenen ook wel droog. Hij heeft er zin in en denkt vast: als ik moet wachten tot ze laarzen aanhebben, komen we nooit weg. Het Dwingelderveld hoort tot ‘s lands grootste natuurterreinen. Langs de noordelijke bosrand van de uitgestrekte hei rijden diepladers. Is dat de snelweg? ‘Nee’, zegt Alje, ‘de snelweg ligt oostelijk.’ De diepladers voeren afgegraven aarde naar de snelweg, waar het wordt opgetast als geluidswal. Daardoor horen wij nu geen auto’s maar veldleeuweriken en wulpen, die dit jaar vroeger zingen en baltsen dan ooit. De zandkuil ligt dieper dan het naastgelegen ven, maar blijft droog. De kuil heeft een waterdichte keileembodem. Er dobberen grauwe ganzen op het ven. In de verte roept iets wat lijkt op kraanvogels. We spitsen de oren, want kraanvogels broeden in de buurt op het Fochteloërveen, en het zou een kers op de taart zijn als we de eerste kraanvogels van 2011 konden verwelkomen. Maar het zullen die ganzen wel zijn, met het voorjaar in hun kop. We moeten waden. ‘Allen ‘s winters is het hier nat’, zegt Alje, ‘in de zomer droogt de hei op. Daarom willen we de afwateringssloten dichten.’ We hoppen van pijpestropol naar struikheidepol, over tapijten van kraaiheide. Hier wil ik van de zomer nog eens heen. ‘Vergeet dan die eiken niet’, wijst Alje naar een paar hoogbejaarde bomen op een voormalig boerenerf. ‘Daar broeden dan wielewalen.’