Hoogbejaarde bonte vliegenvanger

Bonte vliegenvanger m. Foto Richard Ubels
Bonte vliegenvanger m. Foto Richard Ubels

“Tweederde van de mannetjes is er”, zegt Christiaan Both over bonte vliegenvangers. Dat was eergisteren, intussen zijn er al meer. De wind hoeft maar zuidwaarts te draaien, of de rest waait binnen. “De vrouwtjes komen wat later, ik schat dat tien, twintig procent is gearriveerd.”

Hoogleraar dierecologie Both doet sinds 2007 onderzoek naar bonte vliegenvangers. In Drenthe hangen honderden nestkasten, waarin de vogels broeden. Ze keren nu terug uit Afrika en Both en collega’s liggen op de loer om oude bekenden te verwelkomen. Die zijn herkenbaar aan hun variabele, zwart-witte veren en aan een pootringetje. “Elk jaar ringen we er zo’n 1500”, vertelt de bioloog, “en daar zien we er veel van terug.”

Oud worden bonte vliegenvangers niet. Vier van de vijf jonge vogels gaat binnen een jaar dood. Wie dat eerste jaar doorkomt, heeft vervolgens een overlevingskans van vijftig procent. Elk jaar gaat de helft dood. De overlevers komen vaak terug naar hun geboortegrond om zelf te broeden, al kan dat soms een paar jaar duren.

Deze week kwam een mannetje terug, dat in 2007 als kuiken was geringd. In 2011 kwam hij terug, om te broeden op honderd meter afstand van de nestkast waarin hij uit het ei kroop. Sindsdien broedde hij er ieder jaar. Hij bracht in totaal 22 jongen groot.

Deze bink werd acht jaar: hoogbejaard voor een bonte vliegenvanger. Hij had nog ouder kunnen worden. Maar bonte vliegenvangers concurreren met koolmezen om nestkasten. Na zijn reis van vijfduizend kilometer inspecteerde de oude rakker een kast, waarin al een koolmees zat. Koolmezen zijn groter en sterker. Deze mees maakte het wel heel bont: hij hakte met zijn snavel de schedel in van de vliegenvanger.

(Natuurdagboek Trouw donderdag 23 april 2015)