Hongerige zwaluwen

Jonge boerenzwaluwen bedelend om eten, © Peter Teune

Een maand geleden liep ik langs de binnenstadsrand van Groningen. Het was hoogzomer en de blauwe lucht gierde van de gierzwaluwen. Nu zijn die met stille trom vertrokken. Zoals ze er elke lente eind april ineens zijn, merk ik elk jaar in augustus dat ik ze al een tijdje niet meer hoorde. Maar in juli gierden ze nog rond.

In een perkje lag onder de kniehoge struikjes een dood vogeltje in het kale zand. Een zwaluw. Geen gierzwaluw maar een echte zwaluw: een boeren-. Nog jong maar wel groot gegroeid en uitgevlogen. Boerenzwaluwen in de stad? Ik keek omhoog en zag er na een tijdje één vliegen. Toen nog één. Vervolgens een huiszwaluw, nog een huiszwaluw en nog één. Gier-, boeren- en huiszwaluwen. De huiszwaluwen koersten af op een dakgoot, waaronder ze in de schaduw verdwenen. Even kijken: jawel hoor, een nest. En nog een nest.

Deze zomer viel me thuis, op Schiermonnikoog, in Duitsland en Oostenrijk telkens op dat er nauwelijks muggen waren. Het koude, droge voorjaar heeft daar misschien mee te maken, een mens bedenkt wat om verschijnselen te verklaren. Mij hoort u niet klagen over weinig muggen. Ik houd niet van muggen, al zijn zij nog zo gek op mij. (Ze zijn zo tam, ze komen zelfs op me zitten.) (En ach, afgezien van zoemen en steken vallen ze best mee.)

Ik las dat veel jonge boerenzwaluwen verhongerden. Meteen dacht ik aan die dode in het stadsperkje. Meteen dacht ik aan weinig muggen. Ik houd niet van muggen, maar zwaluwen des te meer. Zou muggengebrek hun dood geworden zijn? Het zal de vogels in ieder geval niet geholpen hebben.