Hongerig gevogelte

Koolmees. Foto Koos Dijksterhuis
Koolmees. Foto Koos Dijksterhuis

Het is al dagen zonnig bij een droge oostenwind. De plassen en modderpoelen van de voorafgaande regentijd zijn opgedroogd. Bij ons in de tuin vriezen de drinkbakjes ’s nachts dicht. Dorstige merels, mezen, vinken, roodborstjes, duiven, kauwen en eksters kijken op hun neus en snavel, maar komen voor een herkansing zodra ik het ijs heb vervangen door water. Zoals altijd in de lente vinden de zaden en vetbollen gretiger aftrek dan de afgelopen maanden.

Voor dat laatste hebben de vogels goede redenen. Het aanbod van vetbollen en ander tuinvogelvoer slinkt. Mensen denken vaak dat dat aan het eind van de winter niet meer nodig is, zeker met dat zonnige weer. Terwijl het aanbod van insecten, zaden en bessen op zijn dieptepunt is. Het laag hangende fruit, de zichtbare zaadjes en de minder goed verstopte insecten en hun larven zijn op. Als mensen dan ook nog eens de tuin gaan opruimen, aanharken en anderszins fatsoeneren wordt Schraalhans helemaal keukenmeester.

Een uitzondering in deze voorjaarsschaarste is klimop. In onze tuin en in niet gesnoeide klimops op andere plekken zie ik merels, zanglijsters, spreeuwen, houtduiven en Turkse tortels klimopbessen eten. Terwijl de meeste bessen in de nazomer rijp zijn, zijn de paarse klimopbessen dat in maart.

Andere lichtpuntjes zijn de zaadjes van kleine, vroege voorjaarsbloeiers, zoals vroegeling, vogelmuur en kleine veldkers. In onze tuin wordt wat afgescharreld door het hongerige gevogelte, als de buurtkatten tenminste even niet opletten.

Het drukste scharrelverkeer echter vindt plaats onder de buis met zaadjes. De kool- en pimpelmezen die daar gebruik van maken, evenals het roodborstje soms, knoeien zoveel dat er op de duiven, merels en vinken een feestmaal neerregent. Manna.

En na de maaltijd nemen ze een slok uit het drinkbakje.

De nestkastjes zijn nog niet geïnspecteerd, voor zover ik weet, laat staan in gebruik genomen.

(Natuurdagboek Trouw donderdag 10 maart ’22)